Recensie

Van onzeker meisje tot wantrouwende alcoholiste in een Blaricumse villa

F. Harmsen van Beek dichteres

Wanhoop, schoonheid, liefdes, razernijen, drank en vooral talent. Maaike Meijer brengt orde in het leven van een uiterst bijzondere en hartveroverende vrouw: F. Harmsen van Beek.

Dichteres F. Harmsen van Beek in 1985 tijdens de Nacht van de Poëzie in Vredenburg, Utrecht. Foto Wim Oskam/Hollandse Hoogte

Dat een biografie misschien een poging is, ‘voor zowel de schrijver als de lezer ervan’ om iemands hele leven méé te leven, schrijft Maaike Meijer achterin haar biografie over de dichteres F. (Frederika, ‘Fritzi’) Harmsen van Beek. Natuurlijk is het maar een versie van iemands hele leven die je te lezen krijgt in een biografie, sterk ingedikt, onvolledig, gekleurd en ook nog eens opgedist door één iemand, de biograaf, die nu eenmaal haar eigen zienswijzen, preoccupaties, interpretaties en beperkingen heeft.

Maar toch. Toch kan iemand die Hemelse mevrouw Frederike gelezen heeft de indruk hebben dat zij heel wat heeft meegeleefd met ‘Frederike’ en een behoorlijk waarachtige kijk op haar en de bronnen van haar werk gekregen heeft. (Harmsen van Beek werd door haar ouders en intimi ‘Fritzi’ genoemd, later werd die naam openbaar en dat wilde ze niet, ze noemde zichzelf Frederike, en Meijer volgt haar daarin na).

Een heel leven is in dit geval vooral heel véél leven, waarin de hoofdpersoon nogal sterk verandert. Van het onzekere meisje dat werkelijk even denkt dat ze als een braaf vrouwtje zal gaan zorgen voor een man, haar eigen verlangens naar de achtergrond schuivend (ze schrijft het zelf aan haar nog jonge verloofde), tot een wantrouwende, nauwelijks nog productieve alcoholiste die door iedereen geholpen moet worden en dat de mensen vervolgens kwalijk neemt. En al die fasen daartussen in. Al die wanhoop, al die schoonheid, de extatische vriendschappen en liefdes en de razernijen, de armoede. En de drank vooral. En het talent, ook vooral.

Maaike Meijer komt al heel vroeg in haar boek met een scène die zij als een sleutelscène opvat: de ongeveer 18-jarige Fritzi zit te lezen in een schuilplaats in huis en hoort vandaaruit haar ouders praten. ‘Ik hoorde ze zeggen dat mijn moeder mij zo verschrikkelijk lelijk vond, en dan nog dat brilletje. En toen zei mijn vader: „Nou dat kind is helemaal niet lelijk en die bril heeft ze nodig, anders ziet ze niets” [...] En mijn vader begint over of ik niet eens andere kleren kan krijgen.’ Maar de moeder vindt het een hopeloze zaak: haar dochter is veel groter dan zij ‘En dan is ze zo afschuwelijk dik’ en heeft veel grotere voeten. ‘En ik dacht: ze heeft eigenlijk wel gelijk. Ik was niet om aan te zien.’

Een dochter als dienstbode

Vanaf dat moment in de biografie lezen we het steeds weer: Frederike’s moeder hield niet van haar, ze was koud en liefdeloos, ze was een luxepoppetje, ze gebruikte haar dochter als dienstbode. Daar wordt veel van Frederike’s latere gedrag op teruggevoerd. Ze heeft een betoverende uitwerking op de meeste mensen en gaat hevige en intieme relaties aan, maar maakt die ook vaak weer kapot. Meijer denkt daarin de persoonlijkheidsstoornis van de ‘theatrale persoonlijkheid’ te herkennen en schrijft: ‘Je wordt hier niet mee geboren, je ontwikkelt zo’n patroon als je eerste hechtingsfiguren niet veilig zijn.’

Of het nu werkelijk zo was dat haar moeder zo liefdeloos was zullen we nooit weten, het verhaal over het afgeluisterde gesprek doet Frederike op haar 71ste. Het is het verhaal dat ze zelf over haar leven vertelt, dat van de liefdeloze moeder en een geweldige vader – al denkt ze over die laatste als ze jonger is heel anders zoals uit de geciteerde documenten blijkt.

Ze maakt haar omgeving – ze woont in een gehuurde grote villa in Blaricum, Jagtlust – sprookjesachtig mooi en wordt door menigeen als een toverfee, een prinses of de bewoonster van een eigen koninkrijk beschreven.

Sowieso is ze heel goed in verhalen vertellen – iedereen die Meijer voor haar boek gesproken heeft roemt haar originele manier van praten, vrienden hebben de neiging haar telefoongesprekken op te nemen omdat die zo bijzonder zijn. Wat niet hetzelfde is als betrouwbaar waar het haar herinneringen aangaat. Ze vertelt bijvoorbeeld dat haar vader haar een maniëristische manier van praten verweet toen ze drie was, wat grappig maar niet heel waarschijnlijk is, al lijkt Meijer er volop in te geloven: ‘aan deze kleine was het besteed: ze weet het decennia later nog.’

Wat de verklaring voor sommige van haar gedragingen ook mag zijn, ze komt uit dit boek naar voren als een uiterst bijzondere en hartveroverende persoonlijkheid. Ze maakt haar omgeving – ze woont in een gehuurde grote villa in Blaricum, Jagtlust – sprookjesachtig mooi en wordt door menigeen (vooral menig man, een stoet van niet altijd even goed gekozen ‘verloofdes’ trekt door haar leven) als een toverfee, een prinses of de bewoonster van een eigen koninkrijk beschreven.

Een van de mooiste karakteriseringen van de manier waarop Harmsen van Beek haar omgeving vorm gaf is van Judith Herzberg: ‘alles wat ze aanraakte werd bijna toverachtig mooi. En toch ook traditioneel dat is het gekke, heel erg Nederlands, en een mengsel van heel sjiek en heel boers. Niet tuttig burgerlijk, maar boers, echt boerenbontachtige aardewerk dingen, van een grof soort primitieve schoonheid en het allersjiekste wat je je maar kon voorstellen van elegantie, van high culture zou ik zeggen.’ Die mengeling van heel gewoon zijn, met iedereen om kunnen gaan, en heel verfijnd, kunstzinnig en belezen zijn is typerend voor Harmsen van Beek, zowel voor de vrouw als voor haar werk.

Psychologische theorieën

Ze is nogal gemythologiseerd. Over Jagtlust deden de wildste verhalen de ronde, in de wereld gebracht door vooral Gerard Reve die er vaak kwam, en door Harmsen van Beeks tweede echtgenoot Remco Campert. De Haagse Post publiceerde in 1965, na de verschijning van Harmsen van Beeks eerste dichtbundel Geachte muizenpoot, die met bewondering en enthousiasme werd onthaald, een verhaal over haar waarin het alleen maar ging over feesten, mannen, drank en excessen. Harmsen van Beek vond het bijzonder onaangenaam en Meijer vind het bijna nog onaangenamer en schandaliger – zoals het afgeluisterde gesprek de sleutel wordt tot veel van Frederike’s grillige gedragingen, zo wordt dit artikel de sleutel tot haar argwaan jegens de wereld.

Talent, stijl, flonkering. Je kan het aflezen aan de in 2012 verschenen 450 pagina’s van Fritzi Harmsen van Beek. Lees ook: Poes, pak die nerveuze godvruchtige vogeltjes

Het is de oorzaak van het onuitroeibare beeld van, en de onuitroeibare nieuwsgierigheid naar een losbandige vrouw. Meijer verklaart dat zo: ‘Alcoholgebruik was inbegrepen in het beeld van de mannelijke kunstenaar. Pas wanneer een vrouw naar de fles greep werd het opmerkelijk en afkeurenswaardig.’

Meijer heeft sterk de neiging haar onderwerp te verdedigen tegen de wereld, ze kiest steeds partij voor haar. Pas in de affaire met Charlotte Mutsaers, die in haar boek De Markiezin een gefictionaliseerd beeld van haar vriendschap met Harmsen van Beek gaf en vervolgens werd beticht van plagiaat en leugenachtigheid, keurt Meijer het gedrag van Harmsen van Beek af, maar ook dan toont ze weinig distantie – iets té weinig. Ook komt ze zo af en toe met psychologische theorieën of morele oordelen die, zoveel jaar na dato, wat misplaatst aandoen: ‘Ook voor [broer] Hein blijft ze lief als ze eigenlijk boos op hem is. Het is een vorm van afweer die bekend staat als „identificatie met de tegenstander”.’

Het zijn kleine aanmerkingen bij een meeslepende en aangenaam uitvoerig gedocumenteerde biografie, waarin Meijer, ondanks het redelijk chaotische leven van haar hoofdpersoon, uitstekend orde heeft weten te bewaren.

    • Marjoleine de Vos