Recensie

Seksueel gegrom en gepaar verstoren de plot

Caro Van Thuyne De Vlaamse debutante Van Thuyne kiest in haar verhalenbundel onverwachte observatoren om hun een zegje te laten doen over ‘veel liefde en veel lijden’. Het leidt tot prachtige formuleringen, maar veelheid schaadt haar originele stijl.

‘Listen: you are not yourself, you are crowds of others, you are as leaky as a vessel as was ever made’, citeert debutant Caro Van Thuyne (1970) in haar motto uit Rebecca Solnits The Faraway Nearby. Dat de ‘ik’ in haar boek een fluïde figuur is, zonder vaste vorm of inhoud, maakt ze daarmee meteen duidelijk. Haar verhalenbundel Wij, het schuim is gerangschikt als een lp, met een side A, B, een bonustrack, songlist en sleeve notes. Het begin van ieder lied is een giswerkje: wie is nu aan het woord? De hints: borelingvacht, witte hals, lange vingers, afstaande oren met witpluizige tippen… Zie daar: een doodshoofdaapje op de schouder van een oud vrouwtje. Ook geeft ze het woord aan een jongen met superheldenkrachten, een mol, een cluster pijnbomen en, jawel, schuim op het water.

Van Thuyne kiest, kortom, voor de onverwachte observator, die ze, zo licht ze toe in haar sleeve notes achterin, ieder hun zegje laat doen over ‘veel liefde en veel lijden, en over al dan niet gered worden door de liefde’. Die redding lijkt zich vooral in erotische vorm aan te dienen: alle twaalf verhalen annex nummers bevatten seksueel gegrom en gepaar, dat te pas en te onpas opduikt, en zo de vaart van de plot onderbreekt. Het platte taalgebruik dat Van Thuyne daarvoor inzet, contrasteert met de prachtige formuleringen die elders in de bundel staan: ‘Buiten zijn de dagen bruin en mistig, het ruwrijmt, het brimmelt, om drie uur vallen de kauwen terug in hun bomen en de meeuwen op hun relingen, kop in kas.’ Beeldend zijn haar neologismen als ‘pyjamaborsten’ en ‘zoutgeknoopt haar’, die de lezer juist laten meedeinen op Van Thuynes verhalengolf.

Die originaliteit houdt ze niet de hele bundel vast. De combinatie van de muzikale indeling met Van Thuynes stuiterende stijl impliceert dat we van deze verhalenbundel wellicht eenzelfde melodieuze kakofonie mogen verwachten als van mede-Vlamingen Peter Verhelst (denk aan zijn geprezen dichtbundel Wij totale vlam) of Tom Lanoye. Jammer genoeg stokt die muziek in Wij, het schuim door een overdaad: dubbele uitroeptekens, pagina’s vol vijfpuntige beletseltekens, vraagtekentrio’s en streepjesgestotter laten Van Thuynes tekst slordiger ogen dan nodig.

Puisten

Ook met het gebruik van haar bijzondere perspectieven weet ze zich niet altijd even goed raad: waar de lezer soms pagina’s lang gist naar de ogen waardoor we dit verhaal nu weer waarnemen, trapt Van Thuyne op andere momenten juist weer in de val van overdreven verduidelijking. Otters spreken over hun eigen ‘otterbuik’, mollen over hun ‘mollenleven’ en pijnbomen over hun pijnboombestaan. Het feit dat ze zich tussendoor ook nog eens van verschillende genres bedient – het literaire metacommentaar (in ander lettertype), de toneeltekst, het autopsierapport – maakt de tekst bovendien veelkleuriger, maar ook rommeliger. Naast haar veelal originele taalgebruik vallen missers als lucht die zo dik is ‘dat je hem kunt snijden en bakken’ en vervolgens uitbreekt in puisten des te meer op.

Van Thuyne is in Wij, het schuim op haar best als ze het écht afwijkende perspectief kiest en daaraan vasthoudt: dat van het doodshoofdaapje, de boom of de golf. Dan komt ze niet in de verleiding de lezer te overspoelen met overdadige erotiek, weerhoudt ze zichzelf ervan een stortvloed aan details te vermengen en komen haar poëtische beschrijvingen beter tot hun recht. Nu schuurt de meerderheid van haar verhalen door al die overdaad tegen de parodie aan, en het is maar de vraag of Van Thuyne dat effect beoogde.

    • Anne van den Dool