Het hele Duitse verleden opgegraven

Tentoonstelling Bewegte Zeiten in de Gropius Bau in Berlijn is meer dan een parade van hoogtepunten van recente Duitse opgravingen. De tentoonstelling heeft ook een politieke boodschap: de rol tonen van archeologie in hedendaagse discussies, met name over migratie.

Bronzen pijlpunten uit het Tollense dal, resten van een veldslag 3.200 jaar geleden. Foto’s Staatliche Museen zu Berlin

Tweeëntwintig dikke en metershoge eikenhouten balken vormen een stevig front. Rond 90 na Christus hoorden ze bij de damwand die de bouwput van de stadsmuur van Keulen moest beschermen tegen hoog water van de Rijn. Een mooi voorbeeld van wat Romeinse ingenieurs konden. Op een podium ervoor liggen bergen scherven van amforen en vazen, vermengd met fragmenten van dierenbotten: afval uit het handelsknooppunt dat de Romeinse haven was. Samen met resten van een platbodem en grafstenen, onder andere van ene Horus, een Egyptische onderstuurman van de Romeinse Rijnvloot, vormen ze de grootse opening van de indrukwekkende archeologietentoonstelling Bewegte Zeiten (Bewogen Tijden) in de Gropius Bau in Berlijn.

De tentoonstelling met ruim duizend objecten op 1.600 vierkante meter is een parade van hoogtepunten van Duitse archeologische ontdekkingen uit de laatste twintig jaar. Ga maar na: de hemelschijf van Nebra, de Venus van Hohle Fels, de hoge conische gouden hoeden van Berlijn en Schifferstadt, die in de bronstijd voor astronomische en religieuze doeleinden werden gebruikt. En skeletten van het bronstijdslagveld in het Tollensetal, lans-, speer-, en pijlpunten van de Romeinse expeditie tegen de Germanen in de derde eeuw bij de Harzhorn, een van de 300.000 jaar oude houten speren uit Schöningen, de paardenkop van een Romeins ruiterbeeld uit Waldgirmes, de manshoge resten van een houten kelder uit de middeleeuwse binnenstad van Lübeck, enkele meters van een houten paalweg uit het neolithicum die door het Campermoor voerde, het alchemielaboratorium van Wittenberg en de Berlijnse beeldenvondst (fragmenten van beelden die opgeslagen waren in een tijdens de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd depot voor Entartete Kunst), alles is nu voor het eerst en voorlopig ook voor het laatst samen op één plek te zien.

De tentoonstelling wil meer dan tonen wat er recent in Duitsland is opgegraven of wat recent onderzoek heeft opgeleverd. „In 2003 hebben we al een keer een overzicht gehad van vondsten uit alle Duitse deelstaten”, zegt Matthias Wemhoff, directeur van het Berlijnse Museum für Vor- und Frühgeschichte en een van de samenstellers van de tentoonstelling, aan de telefoon. „Deze keer willen we ook laten zien dat archeologie een maatschappelijke betekenis heeft en een rol kan spelen in hedendaagse discussies, met name over migratie.”

Die keuze had gevolgen voor de opstelling, legt Wemhoff uit. „Er is geen chronologie, want dan krijgt de bezoeker teveel het idee ‘dat was toen, dat heeft niets met mij te maken’. Het uitgangspunt is ‘beweging’, van mensen, spullen en ideeën. Dat heeft tot de vier thema’s geleid: mobiliteit, uitwisseling, innovatie en conflict, want migratie kan ook tot spanningen en strijd leiden. Alle vier thema’s komen terug in de vondsten van de Romeinse haven in Keulen, vandaar dat we daarmee de tentoonstelling openen.”

Veenwegen en karrensporen

Door de thematische aanpak liggen bij het thema mobiliteit twee meter lange delen van prehistorische veenwegen naast stenen plaveisel van de Romeinse straat in de haven van Keulen, een stuk weg van een paar meter met karrensporen uit middeleeuws Passau en ook de uit steen, zand, grind en aardewerkscherven opgebouwde waterdoorlatende onderlaag van de dertiende-eeuwse markt van Leipzig. Aan het einde van de rij, naast de granieten klinkers van de binnenhof van het Berliner Stadtschloss, ligt een fragment van de betonnen wachtpostenweg van de Berlijnse Muur: dáár ging het erom mobiliteit te voorkomen.

Verderop wordt het verhaal verteld van individuen die om ‘modern’ aandoende redenen in beweging zijn gekomen, zoals de klimaatvluchteling, de geloofsvluchteling, de werkzoeker en het slachtoffer van mensenhandel. Alleen gaat het hier om een neanderthaler die voor het oprukkende ijs moest wijken, aartsbisschop Gregorius uit Armenië die op de vlucht voor de Seltsjoek-Turken onderdak vond in Passau, waar hij in 1093 stierf, de Meester van Naumburg die in de dertiende eeuw uit Frankrijk trok om te bouwen en beeldhouwen aan de Dom van Mainz, de Dom van Naumburg en de Dom van Meiβen, om daarna verder te trekken naar Burgos, en een naamloze slaaf die in de Romeinse tijd geketend was met voetboeien.

Paardenkop van Romeins ruiterstandbeeld, ca. 10 n. Chr., uit Waldgirmes.
‘Venus van Hohle Fels’, mammoet-ivoor, 40.000-35.000 jaar oud.
3. Bijlen van jadeiet, Michelsbergcultuur, ca. 6.000 jaar oud.
‘Hemelschijf van Nebra’, 3.600 jaar oud, oudste beeld van zon, maan en sterren.
Hoge gouden hoed uit de Bronstijd, ca. 3.000 jaar oud, waarschijnlijk Zuid-Duits.
Romeins beeld van de god Apollo, gemaakt van schildpad, ca. 200 n. Chr.
Foto’s Staatliche Museen zu Berlin

Drie grote migratiestromen in de prehistorie hebben de genen in wat nu Europa is flink door elkaar gehusseld, blijkt uit recent DNA-onderzoek. Aan het einde van het zevende millennium voor Chr. kwamen via de Balkan de eerste boeren van de bandkeramische cultuur, die hun oorsprong in West-Anatolië hadden. Langzaam verdrongen ze de oorspronkelijke jagerverzamelaars. In het vijfde millennium volgde uit het Parijse bekken een toestroom van de Michelsbergcultuur, ook boeren, maar meer gericht op rundvee en minder geneigd om lang op een plek te blijven. Ze vermengden zich met de laatste jagerverzamelaars in Scandinavië. Hieruit kwam in het vierde millennium een nieuwe cultuur voort, de Trechterbekercultuur, die zich onderscheidde door zijn megalithische graven. Tot slot was er vanaf 2.900 voor Christus een toestroom van steppevolkeren uit Oost-Europa, waaruit de touwbeker- en klokbekerculturen ontstonden. „Binnen Europa bestaan nauwelijks nog genetische verschillen”, zegt Wemhoff, die het DNA-onderzoek „een van de grootste doorbraken van de laatste jaren” noemt. „Wij als archeologen moeten nu onze vondsten daarmee in verband zien te brengen.”

Europees netwerk

De afdeling ‘uitwisseling’ maakt duidelijk dat mensen altijd al objecten en waren met elkaar hebben geruild en verhandeld. Over zulke grote afstanden dat Wemhoff graag spreekt van een ‘Europees netwerk’. Hij wijst erop dat intussen tweeduizend prestigieuze bijlen van jadeiet uit het Italiaanse Alpengebied verspreid over Zuid- en West-Europa zijn gevonden. Via datzelfde ‘netwerk’ zijn tussen 1750 en 1650 voor Christus 796 dunne gekromde koperstaven uit het oostelijke Alpengebied en Slowakije, in het Beierse Oberding terechtgekomen. En de Alamaanse heer van Trossingen (Baden-Württemberg) kreeg zo in de tweede helft van de zesde eeuw een houten lier uit Francia in zijn bezit.

Al die migratiestromen hebben ook tot conflicten en geweld geleid. Daarvan getuigen de minstens 133 opgegraven stoffelijke resten van de slag in het Tollensetal in de Bronstijd, maar ook het kanon van het Zweedse oorlogsschip Prinsessan Hedvig Sophia, dat in 1715 is vergaan tijdens de Grote Noordse Oorlog om de hegemonie van de Oostzee, en fragmenten van de Keulse synagoge, die bij de pogrom van 1349 is geplunderd en verwoest. Wemhoff: „Hopelijk relativeren die vondsten onze tijd. Mensen denken vaak dat wij in hectische tijden leven, maar dat was vroeger ook zo. Stilstand is de uitzondering, ook toen was alles in beweging, ook toen hebben mensen grote problemen gehad en verschrikkelijke dingen meegemaakt, maar uiteindelijk hebben ze ook altijd oplossingen gevonden.”

Vandaar dat de tentoonstelling positief afsluit met allerlei innovaties. Ze variëren van de jachtsperen uit Schöningen, die zo uitgebalanceerd waren dat ze bijna niet onderdoen voor moderne werpsperen uit de atletiek, vroege kunstuitingen als de 40.000 jaar oude, uit ivoor gemaakte Venus van Hohle Fels en een afdruk van een wagen uit het einde van het vierde millennium, tot Meiβner-aardewerk, de centrale verwarming van het Berliner Stadtschloss en de vroegste weergave van de nachtelijke hemel op de Hemelschijf van Nebra.

In interviews heeft Wemhoff er niet omheen gedraaid dat de tentoonstelling een politieke boodschap heeft. „We zijn ons ervan bewust dat Duitse archeologen in de Nazi-tijd ook een politieke boodschap hadden, maar hun ideologische beweringen waren niet gestoeld op echte onderzoeksresultaten.”

Toch lijkt hij met zijn nadruk op het Europese netwerk te suggereren dat er altijd al een soort Europese eenheid is geweest, hoewel een netwerk iets anders is dan een eenheid. „Als je kijkt naar de Meester van Naumburg die in Frankrijk, Duitsland en Spanje zijn sporen heeft nagelaten, of het graf van de Keltische vorstin bij de Heuneburg ten zuiden van Stuttgart met vondsten uit Etrurië, het Baltische Zeegebied en Groot-Brittannië, dan mag je zeggen dat alles zo nauw met elkaar verbonden was dat er een Europese cultuur was.”

De Duitse politieke partij AfD, met zijn affiniteit voor volkskunde en archeologie, vecht intussen voor het voortbestaan van wat zij een Duitse Leitkultur noemen, weet Wemhoff. „Maar als ik naar mijn archeologische vondstenbestand kijk, zie ik nergens een Duitse Leitkultur. Mensen hebben vooral meerdere, verschillende identiteiten, die soms onderdeel zijn van een complexe algemene identiteit.”

    • Theo Toebosch