Opinie

    • Michel Krielaars

Zijn moeder zat bij de geheime dienst en rapporteerde zelfs over haar eigen gezin

Op straat loopt Michel Krielaars een Hongaarse schrijver tegen het lijf. ‘Als je tegenwoordig in Boedapest met je vrienden in een café zit, kun je weer net als onder het communisme door de geheime dienst worden afgeluisterd.’

Een dag voordat in Boedapest het doek viel voor de Central European University (CEU) van filantroop George Soros, liep ik de Hongaarse schrijver András Forgách tegen het lijf. Hij was even in Nederland voor een tv-interview over de vertaling van zijn autobiografische roman De akte van mijn moeder. Ook hij was van slag door het tragische lot van de CEU, die heeft bijgedragen aan de modernisering van zijn land.

Op die druilerige zondagmorgen bekende ik hem dat ik nog niet ver in zijn boek was gevorderd, maar dat het me heel bijzonder leek. De akte van mijn moeder gaat namelijk over Forgách’ recente ontdekking dat zijn moeder van 1975 tot aan haar dood in 1985 informant van de geheime dienst was en zelfs over haar eigen man en kinderen rapporteerde. „Mijn moeder was de mooiste en liefste vrouw ter wereld”, zei de schrijver. „Maar door die toevallige vondst ben ik heel anders tegen haar gaan aankijken, al houd ik niet minder van haar.”

Gevraagd naar de recente gebeurtenissen in Hongarije, antwoordde de 66-jarige schrijver dat de klok onder premier Viktor Orbán dertig jaar is teruggedraaid. Daarmee doelde hij niet op een terugkeer naar het goulash-communisme van weleer, waarin schrijvers en kunstenaars een beperkte mate van artistieke vrijheid genoten, maar op de systematische vernietiging van de democratische instellingen die in Hongarije sinds de val van de Muur, mede dankzij de CEU, zijn opgebouwd. „Als je tegenwoordig in Boedapest met je vrienden in een café zit, kun je weer net als onder het communisme door de geheime dienst worden afgeluisterd”, zei hij.

Forgách beschouwt de Hongaarse premier niet als een populist, maar eerder als een maffialeider: „Orbán en zijn driehonderd trawanten denken dat alleen zij mogen bepalen wat goed is voor Hongarije, terwijl ze vooral geïnteresseerd zijn in het leegroven van de staatskas.”

Ook kregen we het over György Konrád. Net als hijzelf komt deze uit een Hongaars-Joodse familie die zwaar te lijden heeft gehad onder de nazi’s. Volgens Forgách verklaarde dat zijn verzet tegen het toelaten van islamitische vluchtelingen: „Konrád lijdt onder de Tweede Wereldoorlog en ziet de islam als de nieuwe vijand van de Joden. Je moet hem dat maar vergeven, want hij is een bijzonder mens en een groot schrijver.”

Voor iemand als András Forgách kun je alleen maar bewondering hebben. Onder Orbán wordt hij als schrijver vooralsnog getolereerd, al weet je nooit voor hoelang, omdat de repressiepraktijken uit de dagen van het communisme steeds meer lijken te herleven. Maar wat er ook gebeurt, toch blijft hij in Hongarije wonen. „Ik kan overal mijn geld verdienen, omdat ik behalve schrijver en universitair theaterdocent ook vertaler en beeldend kunstenaar ben. Maar sinds twee jaar heb ik een zoontje. En mijn vrouw wil niet weg. Daarbij komt dat het fascinerend is wat er nu in Hongarije gebeurt.”

Afgelopen maandag zei Michael Ignatieff, de rector van de CEU, over zijn verbannen universiteit: „Een Europese instelling moet vertrekken uit een EU-lidstaat. Willekeurige uitzetting van een gerenommeerde universiteit is een flagrante schending van de academische vrijheid. Dit is een zwarte dag voor Europa en een zwarte dag voor Hongarije.” Toen hij ook nog benadrukte dat niemand de CEU te hulp was geschoten, vreesde ik ineens het ergste. Voor de vrijheid in Hongarije. Voor schrijvers als András Forgách.

    • Michel Krielaars