De geallieerden bombardeerden ruim 300 keer

Bombardement Het recente boek Target Rotterdam beschrijft voor het eerst alle geallieerde bombardementen van Rotterdam en omstreken. De vader van Diny Polet-van Ettekoven kwam om bij het beruchte ‘vergisbombardement’.

Jan Polet en Diny Polet-van Ettekoven bij het monument voor het bombardement van maart 1943. Foto Rien Zilvold

Een vrouwenhand op de plaquette met het gedicht van stadsdichter Derek Otte, Park 1943 in de wijk Tussendijken, vrijdagmiddag.

„Ze raakt het altijd aan als ze hier is”, zegt haar man. „Niet alleen het gedicht, maar ook alle 107 herinneringstegels en de stalen cijfers van het monument in het gras. Met haar handen voelt ze wat er is gebeurd.”

Vier vingers wijzen naar de naam Jan van Ettekoven naast het gedicht. De naam is nog nauwelijks leesbaar, de plaquette is beschadigd of aangetast door het weer. Of door het vele aanraken? Maar dat kan eigenlijk niet, het gedicht is pas op 31 maart aangebracht. De vingers bewegen over de woorden alsof ze braille lezen. De laatste regels luiden: „Wat we woorden geven / raakt gewoonweg niet vergeten.”

Vergeten – dan moet je net Diny Polet-van Ettekoven hebben. Ze was maar zeven maanden oud op 31 maart 1943, herinneren doet ze zich dus niets, maar ze zal nooit vergeten dat 33 Amerikaanse vliegtuigen die in Engeland waren opgestegen op dit westelijke stadsdeel 90.000 kilo aan bommen lieten vallen, 198 stuks. De gevolgen waren rampzalig: 10 hectaren stadsgebied verwoest, 2.661 woningen, 190 winkels en 89 bedrijven gingen verloren, er vielen 417 doden, honderden mensen raakten gewond, 17.000 mensen waren in één klap dakloos geworden.

Deze ramp heette lang ‘het vergeten bombardement’. Zo staat het ook op de tegels die om de honderd meter in de stoep zijn gelegd, alsof het een geuzennaam is, de runner-up in de bombardementen-top-tien. Want gaat het in Rotterdam over hét bombardement, dan wordt gedoeld op dat van 14 mei 1940 waarmee de Duitsers de capitulatie afdwongen. Dat de stad daarna nog zo’n 300 keer werd gebombardeerd, maar nu door de geallieerden, wordt vaak over het hoofd gezien. Het zou vijftig jaar duren voordat toenmalig minister-president Lubbers het door Mathieu Ficheroux ontworpen monument onthulde: de cijfers van de datum 3, 1, 3, 1, 9, 4 en 3 lukraak in het gras, alsof ze uit de lucht zijn komen vallen.

„Daar was ons huis, daar bij die tuintjes”, wijst Diny Polet (76) naar een plek in het midden van Park 1943. „Daar liep de Taandersstraat. Ik ben hooggevoelig, mijn moeder had dat, mijn dochter weet ook een heleboel. Ik voel het als ik hier loop, ik voel het gewoon.”

„Wat voelt u dan?”, vraag ik. „Ik weet gewoon dat hier iets is”, zegt ze en haar man, Jan Polet („bijna 80”), vult aan: „Haar vader is tot op de dag van vandaag niet gevonden.” Zij: „Er mocht niet over worden gesproken omdat het de geallieerden waren. Mijn moeder heeft me ook nooit verteld wat er was gebeurd.” Hij: „Haar moeder heeft nog anderhalf jaar gezocht tussen het puin, daar had ze papieren voor.” Zij: „Maar dat heb ik pas later gehoord.” Hij: „Haar vader is voor het laatst gezien in een tabakszaak aan de Schiedamseweg.” Zij: „Er mocht geen afwas in de keuken staan en het bed moest altijd opgemaakt zijn. Voor als papa thuiskwam.”

In Park 1943 in de wijk Tussendijken in Delfshaven ligt de plaquette met het gedicht van stadsdichter Derek Otte Verwelken Nooit, ter nagedachtenis aan het ‘vergeten bombardement’ van 31 maart 1943. Otte kreeg zijn inspiratie uit het verhaal van Jan van Ettekoven dat hij hoorde tijdens een herdenking van het bombardement. Een strofe uit het gedicht is ook op de gevel van een van de Gijsingsflats geschilderd.

Als we bij het monument staan, legt ze ook hier haar hand op het decemberkoude staal. „Corrosiebestendig cortenstaal”, weet Jan Polet. „Ik heb altijd in de staalbusiness gezeten.” Diny: „Ik heb mijn vader nooit gekend, maar ik weet dat hij een lange, sympathieke man was, lid van de SDAP, van de VARA…” Hij: „Hij las voor de oorlog Het Volk…” Zij: „Hij had een hoveniersbedrijf.”

Hij: „Ik ben kort na de oorlog alweer naar Duitsland gegaan voor zaken. Dat was natuurlijk tegen het zere been van mijn schoonmoeder en mijn vrouw.” Zij: „Hoe kan het, hoe kan het toch dat ik zelfs geen botje heb voor DNA, er is nooit iets van hem teruggevonden.” Hij: „Als kind moest ze elke dag een kusje geven op de foto van haar vader.” Zij: „Die bommen sloegen kraters zo diep, zo diep hebben ze nooit kunnen zoeken.”

Ik vraag of het feit dat het een vergissing was van de geallieerden kan worden aangemerkt als verzachtende omstandigheid. Hij: „Voor mij zijn het nog steeds de moffen, die waren de aanleiding.” Tegen een heg waar we langslopen staan piano-onderdelen weg te kwijnen. Zij: „Ja, het is een zooitje hier, vroeger was het zo’n mooie buurt.” Hij: „Op het bordje staat: 326 doden. Dat moet worden aangepast. Het zijn er nu 417.” Zij: „Dat is inclusief mijn vader, ja. Hij is doodverklaard.”

Heeft ze haar hele leven last gehad van de oorlog, vraag ik haar als we even stoppen bij een herdenkingstegel. Ik zie dat ze aarzelt om zich te bukken. Ze zegt: „Toen ik 70 werd, kreeg ik er last van.” Hoe? „Dat je verdriet hebt, dat je moet huilen. Dit” – ze wijst om zich heen – „is het mooiste cadeau dat ik ooit van mijn man heb kunnen krijgen. De herdenking van dit bombardement. Mijn man heeft het initiatief genomen. Burgemeester Aboutaleb kwam het gedicht van Derek Otte onthullen, hij heeft me gezoend en de sjaal die over de plaquette hing, heeft hij mij omgeslagen. Die sjaal heb ik thuis, die krijgen ze nooit meer terug.”

Jan Polet heeft zich intussen weer bij ons gevoegd: „Het gedicht is opgedragen aan haar vader, Jan van Ettekoven.” Zij: „Jammer dat het zo snel vies wordt, zo’n plaquette. Mijn dochter heeft hem al een keer schoongemaakt.” Hij: „Ik hoop dat het een jaarlijkse herdenking wordt, ja. Burgemeester Aboutaleb heeft toegezegd dat hij elk jaar op 31 maart komt.”

Diny Polet-van Ettekoven loopt nog één keer naar de piëdestal waarop de plaquette met het gedicht van de stadsdichter rust, weer legt ze haar hand erop, bezwerend haast. Ze kijkt van haar hand naar een flatgebouw aan de Schiedamseweg op de gevel waarvan dezelfde tekst is aangebracht en vervolgens in een verte die ik niet kan zien.

„Wat we woorden geven / raakt gewoonweg niet vergeten.” Dat heeft Derek Otte mooi gezegd.

Foto uitgeverij Boom
    • Frank van Dijl