Recensie

Zinderende spanning bij Ravel door Spanjaard

Klassiek Ed Spanjaard leidde een bevlogen uitvoering van Ravel bij het Orkest van het Oosten en het Gelders Orkest. Lucas Jussen soleerde uitstekend in het ‘Egyptische’ pianoconcert van Saint-Saëns.

Dirigent Ed Spanjaard Foto W.Fenken

Een jaar geleden trad Ed Spanjaard aan als ‘vaste dirigent’ van het Orkest van het Oosten. Goed nieuws voor muziekliefhebbers. Spanjaard zwaaide in 2012 af als chef van het toenmalige Limburgs Symfonieorkest. Het Nieuw Ensemble, dat hij al sinds 1982 dirigeert, leidt door desastreuze bezuinigingen een kwijnend bestaan. Maar nu is Spanjaards hartelijke bevlogenheid weer met regelmaat te horen op de Nederlandse podia. Deze week leidt hij het gecombineerde Orkest van het Oosten en Gelders Orkest in een groot symfonisch programma.

Ravel is een componist die Spanjaard na aan het hart ligt. De beide suites uit Ravels balletmuziek Daphnis et Chloé (1912) zinderden op de beste momenten van ingehouden spanning. Het magische ‘Lever du jour’ dreigde even te luid aan te zwellen – een gevaar dat met zo’n troepenmacht altijd op de loer ligt. Maar in het geheel was er de suggestie van ingetoomde power, die alleen in de diabolische ‘Danse guerrière’ echt losging. De vele houtsoli waren goed, en de dynamisch groovende tamboerijnpartij van Gerda Tuinstra vertolkte een dienstbare glansrol.

De blikvanger van het programma was Lucas Jussen (1993), de oudste van de twee pianobroers, die soleerde in het Vijfde pianoconcert (1896) van Saint-Saëns. Dit ‘Egyptische’ concert lijkt in toenemende mate populair bij hedendaagse pianisten en Jussen betoonde zich een vurig pleitbezorger. In vergelijking met bijvoorbeeld de kwikzilveren vertolking van Jean-Yves Thibaudet was Jussens interpretatie gedifferentieerder van sfeer en gespierder van klank. Spanjaard en zijn orkest gingen daar graag in mee en zorgden in het slotdeel zelfs voor stravinskiaanse rauwheid.

Ritmische precisie en contrastrijk spel zijn een kwaliteit van Jussen, die hij etaleerde in felle sequenties met soms een rockachtige drive. De oosterse arabesk in het ‘Andante’ klonk als een bijtende eruptie, de finale was een meesterlijk mitrailleurvuur van noten. Daartegenover stond, aan het begin van het ‘Andante’ en in het ‘gamelan’-thema, betoverende verstilling.

    • Joep Stapel