Wat in Noorwegen kan, kan ook bij Rotterdam

Klimaat Ondergrondse CO2-opslag is duur, maar ook belangrijk voor de klimaatdoelen. Wordt de zee bij Rotterdam de volgende grote locatie?

Een gasplatform bij de Sleipner-velden voor de Noorse kust. Hier bevindt zich Noorwegens oudste CO2-opslaglocatie. Foto Øyvind Hagen

De klimaatdoelen halen, zegt hoogleraar Jim Skea van het VN-klimaatpanel IPCC, is een „kolossale inspanning”. En daarvoor is het waarschijnlijk noodzakelijk om CO2 uit schoorstenen van fabrieken en elektriciteitscentrales te halen, en voorgoed ondergronds op te slaan, zei Skea tijdens de wereldconferentie voor CO2-afvang en -opslag. „En hoe ambitieuzer je bent om klimaatverandering tegen te gaan, des te eerder moet je ermee beginnen.”

In de Schotse hoofdstad Edinburgh werd vorige week twee dagen gepraat over wat in jargon CCUS heet: carbon capture, utilisation and storage. Ondergrondse CO2-opslag is nog geen grote business – verre van dat. Er bestaan wereldwijd zo’n twintig projecten van serieuze omvang. En toch was iedereen er, tijdens een besloten vergadering van het Internationaal Energieagentschap en een aanpalend congres van lobbyorganisatie Global CCS Institute. Tijdens het fotomoment stond IEA-baas Fatih Birol naast de Britse en Noorse ministers van energie, en naast de bestuursvoorzitters van twee van de grootste oliebedrijven: Ben van Beurden van Shell en zijn collega Bob Dudley van BP.

Nederland speelde in Edinburgh een opmerkelijke rol. Er was slechts een kleine Nederlandse delegatie aanwezig, maar in de Schotse hoofdstad werd opvallend veel over Nederland gepraat. Met een duidelijke boodschap: CO2-afvang is belangrijk voor het klimaat, en Nederland kan vooroplopen.

Dat begon al op de inleidende persconferentie, toen de Britse minister van energie Claire Perry de vraag kreeg wie de leiding moet nemen om CO2-afvang en -opslag in Europa van de grond te krijgen. „Wij, Noorwegen, Rotterdam: we begrijpen allemaal dat je dit moet doen in clusters, samen met de industrie.” De Noorse energieminister Kjell-Børge Freiberg, die naast haar zat, zei het ook nog maar eens: „Rotterdam is doing great.”

Noorwegen zegt het graag. Het is het enige land in Europa met grote CCS-projecten, en wil verder vooruit. Op de Noorse Noordzee wordt bij drie gaswinningslocaties CO2 opgeslagen. Het oudste project, bij de Sleipner-winning, loopt al sinds 1996. Noorwegen zou graag knooppunt worden in een toekomstig CO2-transport en -opslagnetwerk op en rond de Noordzee, zei het deze herfst nog. En dan is samenwerking met Nederland, en met het Verenigd Koninkrijk, aantrekkelijk.

Vooral de Rotterdamse haven klonk in Edinburgh als voorbeeld van CCS-vooruitgang. Dat heeft alles te maken met een haalbaarheidsstudie die het Havenbedrijf Rotterdam eerder dit jaar voltooide. Samen met Gasunie en EBN, eveneens staatsbedrijven, wil het havenbedrijf CO2 van de grootste uitstoters uit de Botlek verzamelen, en opslaan onder de Noordzee.

Mark Driessen, Europees lobbyist van het Havenbedrijf, gaf in Edinburgh een presentatie die hij begon met een verkapte waarschuwing: dat ‘Porthos’-project is „prachtig en heel uitdagend”. De Rotterdamse haven stoot nu jaarlijks ruim 25 megaton (miljard kilo) CO2 per jaar uit: bijna eenvijfde van de totale landelijke broeikasuitstoot. Driessen schat dat daarvan in 2030 2 à 5 megaton ondergronds kan worden opgeborgen.

Een handvol grote uitstoters uit de haven komt in aanmerking, zoals de raffinaderijen (van Shell, BP en ExxonMobil) en de waterstoffabrieken. Als enkele fabrieken bereid zijn om de CO2 die nu nog uit hun schoorstenen komt, af te vangen, willen Havenbedrijf, EBN en Gasunie een afvoerleiding en opslag bouwen. De industrie geeft zijn CO2 af aan de poort, het nieuwe nutsbedrijf injecteert het gas 25 kilometer verderop in een leeg gasveld in de Noordzee.

In de bont gekleurde congreszaal, gevestigd in een neogotische kerk, kreeg Driessen luid applaus. „Ik heb liever wat meer discussie”, zei hij achteraf bij de koffie. Op het congres van het Global CCS Institute waren vooral de voorstanders verzameld. Zoals consultant Julio Friedmann, een man in een western-overhemd die in de wandelgangen de carbon cowboy genoemd werd. „We hebben een Nike-moment nodig”, oreerde hij. „Just do it!”

Gestrande projecten

Anderen zijn behoedzamer. Bestuursvoorzitter Ben van Beurden van Shell noemde CCS bij zijn openingswoord van de IEA-top „nog steeds een heel jonge industrie”. Dat is al vijftien jaar zo. In Nederland strandden twee projecten, in Barendrecht in 2010 en voor CO2-afvang van een kolencentrale op de Maasvlakte in 2017. Iets dergelijks gebeurde in het Verenigd Koninkrijk. De Britse overheid stelde 1 miljard pond (1,1 miljard euro) subsidie beschikbaar voor CO2-opslag, maar keerde in 2015 op zijn schreden terug.

Projecten voor CO2-opslag vergen doorgaans honderden miljoenen aan investeringen. De Porthos-infrastructuur kost naar schatting 300 tot 400 miljoen euro, die terugverdiend moet worden door het gebruik van de pijpleidingen door de industrie. Het Havenbedrijf is met vijf bedrijven in gesprek, maar geen van hen heeft tot nu toe publiekelijk zijn hand opgestoken.

CO2-opslag rendeert niet, dat is het probleem. Voor het uitstoten van een ton CO2 betaal je in Europa nu 20 euro, terwijl het afvangen en opslaan bij industrieën op zijn minst 50 à 60 euro kost. Bij de meeste al wél gerealiseerde projecten gaat CO2-opslag daarom hand in hand gaat met oliewinning. Door CO2 in een bijna uitgeput olieveld te pompen, kan er nog olie en gas worden uitgeperst. Dat is gunstig voor de olie-industrie, maar de klimaatwinst van zulke projecten is bescheiden.

Donkerrode wolk

Rotterdam, zo klonk het in Edinburgh, heeft juist alles van wat een ‘goede’ CO2-opslag nodig heeft. Artur Runge-Metzger, directeur-generaal klimaatactie van de Europese Unie, wees op een kaart van Europa – „sorry dat Noorwegen er niet helemaal op staat”, – de hotspots van CO2-uitstoot aan. „In deze grote donkerrode wolk ligt Rotterdam.” De Botlek het Roergebied en de Po-vlakte: nergens anders in Europa staan zoveel zware fabrieken op elkaar. In zulke ‘industriële clusters’ kan op korte afstand heel veel CO2-opgehaald worden.

Lees ook: CO2-opslag zorgt voor verdeeldheid klimaattafel

Daarbij ligt Rotterdam gunstig, aan de ondiepe Noordzee waar genoeg uitgeputte gas- en olievelden voorhanden zijn. De directeur van het Noorse CCS-staatsbedrijf Gassnova, Trude Sundset, toonde in Edinburgh al een kaart met haar gewenste toekomstbeeld: Noorwegen – „bij mij staat het land er wel op” – het Verenigd Koninkrijk en Nederland, die alle drie actief zijn bij het vervoer van CO2, via een pijplijn of per schip, naar opslagputten verspreid over de Noordzee.

Of zoiets van de grond komt, is nog verre van zeker. In Rotterdam wordt de investeringsbeslissing voor Porthos pas in de eerste helft van 2020 verwacht. Maar Trude Sundset schetste alvast een zonnige toekomst. „CCS heeft in het verleden gefaald, maar nu moet het gebeuren”, zei ze. „And it is happening.”

    • Hester van Santen