De kinderen gaan uit, wat doe je als ouder?

uitgaan Sommige ouders liggen in het weekend wakker uit bezorgdheid om hun stappende kind. Hoe kun je er losser mee omgaan?

Illustratie Dilemma op Dinsdag

In het holst van de nacht las ik boeken waar ik overdag niet aan toekwam en bingede ik series waarvoor me de tijd ontbrak. Met dank aan mijn twee stappende dochters: vanaf het moment dat zij rond hun vijftiende serieus werk begonnen te maken van hun uitgaanscarrière, veranderden mijn nachten. Ik voelde me een waakzame hond die opschrok bij ieder geluidje of ander mogelijk onraad. Ik sliep licht, werd wakker van mijn trillende telefoon („Hey pap, ik ga toch nog even door naar een club, hihi”) of van een sirene in de verte. Het zou toch niet… Ik beschouw mezelf niet als een buitensporig bezorgde ouder, maar slapen als een roos was een ander verhaal.

Inmiddels zijn ze zeventien en achttien en ben ik er wat meer aan gewend, want ik weet heus wel dat ze niet in zeven sloten tegelijk lopen. Toch blijft er altijd dat licht onbehaaglijke gevoel, dat pas verdwijnt als ik de laatste die binnenkomt de sleutel op het nachtslot hoor draaien.

En in menig doorwaakte nacht vroeg ik me af hoe andere ouders zich voelen wanneer hun kinderen de bloemetjes buiten zetten. Want dat doen ze: de kroeg is de populairste uitgaanslocatie voor jongeren en jongvolwassenen (15 jaar en ouder), staat in Het grote uitgaansonderzoek van het Trimbos Instituut uit 2016. Van de ondervraagde jongeren bezoekt ruim eenderde de kroeg elke week of vaker, nog eens eenderde gaat minstens eens per maand. Na de kroeg is het huisfeestje (15 procent wekelijks, 50 procent maandelijks) het populairst. Logisch, want de meeste kroegen en clubs zijn verboden terrein voor minderjarigen en alcohol krijgen ze er al helemaal niet.

Mijn man herkent zelfs het geluid van Sybrens fiets als hij de straat in rijdt

Annemiek Meijer

Liggen de ouders van al die jongeren in het weekend wakker, net als ik deed? Bekruipt hen ook het gevoel dat ze een nachtdienst draaien? Of hebben ze oplossingen?

Ik slaap goed als ik het weet

Annelies Nijbakker (51) uit Den Hoorn gebruikt de moderne techniek om zichzelf gerust te stellen. Ze vraagt haar dochter Jesse (17) om als zij uitgaat haar locatie via WhatsApp te sturen. „Toen ik zelf jong was, hadden mijn ouders geen idee waar ik uithing. Maar ik kan gewoon zien waar mijn dochter is. Het stelt me gerust, ik slaap goed als ik het weet. Mijn telefoon ligt naast mijn bed met het geluid aan.”

Maar het komt wel eens voor dat ze doorslaapt wanneer ze een bericht krijgt. Dus is er een tweede afspraak: zodra haar dochter thuis is, loopt ze even bij haar ouders langs om te zeggen dat ze er is. „Dan roept ze ‘hallo!’ en zeg ik ‘welterusten’ en kan iedereen rustig gaan slapen. De volgende dag hoor ik dan wel hoe het geweest is.”

Annemiek Meijer (45) uit Amsterdam laat haar telefoon beneden liggen. „Ik ben best moe aan het einde van de dag, dus ik ga liggen en val als een blok in slaap.” Zij doet een beroep op haar man, wanneer zoon Sybren (16) naar een feestje is. „Ik hoor hem nooit thuiskomen, maar mijn man hoort het wel. Hij herkent zelfs het geluid van Sybrens fiets als hij de straat in rijdt.”

Alleen let haar man niet zo op de tijd („hij is wat minder checkerig”), daarom zou ook zij graag willen dat haar zoon zich even meldt zodra hij thuis is. „Omdat ik wil weten of Sybren thuiskomt op de afgesproken tijd van één uur, heb ik voorgesteld dat hij ’s nachts naar me toekomt om even in mijn gezicht te blazen. Dan weet ik dat hij thuis is, en kan ik ook ruiken of hij alcohol gedronken heeft of gerookt heeft. Maar tot nu toe is hij nog niet bij me langsgekomen, waarschijnlijk denkt hij dat het een grap van z’n moeder is.”

Als je gezegend bent met een niet al te bezorgde inborst, kun je het natuurlijk ook laten gaan. Zoals Erik Berghof (47) uit Maastricht „Chillen is het nieuwe toverwoord”, zegt hij. Zijn zoon Tim (16) is vaak met zijn vrienden in parkjes in de stad te vinden. Of ze spreken bij iemand thuis af. Sinds zijn zestiende verjaardag gaat Tim ook naar het café of de club. Erik Berghof: „Voor mij maakt het niet zoveel verschil of hij in het café zit of buiten aan het chillen is. Het enige enigszins zorgelijke is dat hij vrij vroeg met blowen is begonnen, maar daar is hij gelukkig redelijk open over. Ik denk dat hij dat is omdat ik zelf ook nog af en toe een joint rook. Ik kan me zelfs voorstellen dat we, als het een keer zo uitkomt, samen een joint roken wanneer hij achttien is.”

Berghof maakt zich geen zorgen als Tim de deur uit is. „Ik blijf niet wachten tot hij thuiskomt en ga hem ook niet halen. Dat doe je misschien wel als je dochters hebt, die wil je toch wat meer beschermen. Mijn broer heeft een dochter en hij haalt haar vaak op.”

Want dat kan ook nog: ophalen. Annelies Nijbakker heeft dat regelmatig gedaan. „Jesse gaat soms uit in een dorp tien kilometer verderop. En ik wil niet dat ze alleen naar huis komt fietsen. Het maakt me dan ook niet uit hoe laat ik haar moet ophalen. We spreken een tijd af, ik zet de wekker en stap in de auto. Jesse vindt dat geen probleem. Mijn vader kwam mij ook wel eens ophalen, maar dan wilde ik dat hij om de hoek wachtte. Mijn dochter maakt het niets uit.”

Illustratie Dilemma op Dinsdag

Net als Erik Berghof is Annemiek Meijer niet het bezorgde type: „De kans dat er iets misgaat is niet zo groot.” Dat ze niet echt serieus werk maakt van de blaastest die ze voorstelde, heeft misschien te maken met het feit dat ze er niet te strak bovenop wil zitten. Dat deden haar eigen ouders wel, met als gevolg dat ze van alles stiekem deed. „Ik ben psychiater, dus ik probeer soms iets te doen met alle theorie die ik heb gehad. Ik verbied alcohol drinken niet, maar keur het wel af. Zo is drinken minder aantrekkelijk voor Sybren: je gaat niet snel rebelleren tegen iets wat niet verboden is.”

Elke week legt Annemiek Leclaire een lezersvraag voor aan deskundigen. Lees ook: Waarom hebben mijn zoons geen verkering?

Wat overblijft: dat ze zich soms overvallen voelt door een algemeen gevoel van weemoed. „Het feit dat je kinderen uitgaan, vind ik wel een mijlpaal. Ze gaan het daarbuiten steeds leuker vinden. En dat zet natuurlijk door. Soms denk ik gekscherend: ik had meer kinderen moeten nemen, dan had ik ze nog veel langer bij me kunnen houden.”

    • Raymond Krul