Opinie

Inschrijfgeld, nominaties? Arme poëzie!

Poëzie Dichter weigert mee te doen aan het circus rond de nieuwe Grote Poëzieprijs.

‘Berceuse presque nègre’, Paul van Ostaijen, 1925

Wat moeten we met die Grote Poëzieprijs, ongetwijfeld met de beste bedoelingen uitgedokterd als opvolger van de VSB Poëzieprijs?

Ik in elk geval niks. Ik wens niet mee te dingen naar die prijs, ook al stegen er rond mijn bundel Het trouwservies de nodige wierookdampen op en maak ik in theorie dus best een kans. En waarom wil deze sufferd dan geen gokje wagen? Daar heb ik literaire, morele en emotionele redenen voor.

Het ergste zijn slechte bedoelingen, op de voet gevolgd door goede bedoelingen en de hun aanklevende blunders. Zo is er het bedrag van 75 euro dat per bundel moet worden gestort in de schatkist van de prijs. Ook de duizenden makers van zelfhulpbundels mogen meedoen, en god mag weten hoeveel gevoelige zielen daarin trappen. Tegen dit aspect is links en rechts al geprotesteerd, ook in NRC. Een paar Vlaamse uitgeverijen sturen om financiële redenen zelfs geen enkele bundel in.

Als je het geld niet hebt, moet je gewoon doen wat de organisatoren van de Vlaamse Yangprijs eertijds deden: die schonken de winnaar een kartonnen bordje met daarop ‘Yangprijs’ en het corresponderende jaartal. Gek, anarchistisch, sympathiek; eigenschappen die ik met gedichten associeer. Sinds wanneer is toch dat intens burgerlijke idee ontstaan dat literatuur met een zo groot mogelijk geldbedrag bekroond moet worden? Een paar duizend euro, ja, maar tienduizenden?

Dat vulgaire nomineren is rechtstreeks uit televisieland overgenomen. Het is beledigend

Vervolgens is er het systeem van de nominaties. „Je denkt dat je dichtenderwijs ontsnapt aan een wereld die wordt gedomineerd door competitiviteit”, schreef een bekend dichter mij. „En zie: het gaat er in het domein van de poëzie al net zo aan toe als elders.”

Het is vleiend zomaar uit het niets een prijs te mogen ontvangen – maar dat vulgaire nomineren is rechtstreeks uit televisieland overgenomen. Het is beledigend. Ook dichters hebben gevoelens, moet u weten, meestal te veel gevoelens zelfs. Kent u die foto waarop een ontroostbare Herman de Coninck de Gouden Uil niet gewonnen heeft? Jeroen Brouwers, de winnaar, tracht hem te troosten vanachter vele glazen bier, maar ik herinner me dat Herman dagenlang van streek was. Hoe vernederend, een soort publieke Autorenbeschimpfung als voorwaarde voor het prijzen van een enkeling, aan wie men die prijs natuurlijk gewoon zomaar, zonder nominaties en andere flauwekul, had moeten toekennen.

Lees ook: ‘Wees een heiden van het heden’; recensie van Het trouwservies

En natuurlijk hoort er bij dat genomineer een rondreizend spektakel met „inspirerende educatieve en publieksprogramma’s”. Arme poëzie, die haar toevlucht neemt tot het circus!

Ik ben wel eens genomineerd voor die VSB-prijs en mijn naam is ook niet geheel obscuur. Maar net als mijn collega Huub Beurskens – kijkt u eens op zijn blog Nonnolles – doe ik niet meer mee aan dit soort vernederende competities met vier tijdelijk aan de praat gehouden verliezers en een verveelvoudiging van het gevoel te zijn overgeslagen, dan wel de valse vreugde omdat je als een literaire marionet wordt opgeknoopt aan vijf touwtjes tegelijk.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.