Foto Frank Ruiter

Stefano Keizers, alias Gover Meit: ‘Ik snap oprecht hoe het in mijn hoofd werkt’

Lunchinterview Gover Meit (31) , alias Stefano Keizers, cabaretier, snakte naar aandacht vanaf het moment dat hij zindelijk was. „Drukte is mijn redding.”

Misschien handig om nu alvast te zeggen dat Gover Meit (31), alias Stefano Keizers (34), het een „werkelijk heerlijk gesprek” vond dat we hadden. Want om eerlijk te zijn, ik zag verschrikkelijk tegen onze ontmoeting op. Het begon al met wáár we zouden afspreken. De Pizza Hut in Almere-Centrum, opperde hij per mail. Ik googelen; die bleek negen maanden na opening alweer dicht. Dan de Kwalitaria, waar hij vroeger vaak met zijn opa lunchte. Die bestaat ook niet meer, ontdekte hij zelf. „Mijn verleden lijkt als een kaartenhuis in elkaar gestort.” We spreken af dat we elkaar zullen treffen „eerlijk in het midden” van de stationshal in Almere en dan zouden we wel zien.

Mijn voornaamste zorg was: wie zou ik zien? Gover Meit, de cabaretier die in 2016 onder de naam Stefano Keizers de Wim Sonneveldprijs won, en wiens vervreemdende voorstelling Erg Heel begin dit jaar door recensenten de hemel in wordt geprezen? De Stefano Keizers die vorig jaar meedeed aan de televisiequiz De slimste mens en met zijn vermommingen half Nederland ontregelde? Of Stefano Keizers, de schrijver van Twee Luitenanten, het boek dat ik geprobeerd heb te lezen? Want wat een diep verontrustend boek is dát. Hoofdpersoon is een man van „tussen de 25 en 40” die zijn dagen slijt op een kamer bedolven onder de lege zakken Doritos Nacho Cheese en muizenkeutels. Eenzaam, blut en door overmatig drugsgebruik van het padje af. Is deze hoofdpersoon van begin tot eind verzonnen? Is dit een act? Een grap? Of is dit de langste zelfmoordbrief ooit geschreven? Feit en fictie lopen bij Gover Meit/Stefano Keizers door elkaar, dat zal best. Maar de overheersende emotie na lezing is toch: deze man heeft grote psychische problemen en is op z’n minst verslaafd. Die heeft hulp nodig.

De man die op een bankje in de stationshal op me wacht is weliswaar heel bleek, maar een stuk normaler dan ik had verwacht. Hij voorkomt dat ik dwars door de glazen pui het station uitloop en neemt het op voor de krijsende zeemeeuwen die vechten om een leeg patatbakje. „Zij waren hier eerder dan wij.” De zee, wijst hij, stond vroeger hoger dan dit winkelcentrum. Het eerste het beste etablissement dat we tegenkomen, besluiten we binnen te gaan. Hij wil koffie. Geen gróte koffie, zegt hij tegen de serveerster, want dat mag hij niet. Van wie niet? „Van mezelf niet. Ik val al slecht in slaap. Drink ik koffie, dan slaap ik 52 uur niet.”

Ach, zegt hij daarna met zijn wonderlijke, overgearticuleerde dictie. „Het zit natuurlijk allemaal honderd procent tussen m’n oren.” Alles gebeurt tegelijk in z’n leven: de reprise van zijn theatertoer Erg Heel. De verschijning van zijn boek. De opnamen voor een nieuw wetenschapsprogramma dat hij presenteert. En tussendoor moet hij ook nog een kunstwerk afmaken waaraan hij ooit met een kunstenaarscollectiefje is begonnen. Vermoeiend? „De drukte is mijn redding.” Redding van wat? „Van mijn gestress altijd over alles van tevoren. Dan ga ik me maar zielig voelen.” Net, toen hij een ogenblik zat te niksen op het station, heeft hij nog verschrikkelijk moeten huilen om een countryliedje dat hij zat te neuriën.

Het randje gezocht, en gevonden

Nu moet ik hem toch maar vertellen met hoeveel lood in m’n schoenen ik naar onze afspraak ben gekomen. Wat is echt aan hem en wat niet? Is hij Gover, Stefano of beiden? Als ook maar een kwart waar is van wat hij schrijft en zegt, dan is dat al zo zorgwekkend dat het wat mij betreft niet meer grappig is. Gezien zijn reactie vat hij mijn weerzin op als compliment. „Laatst twitterde een psychiater die mijn voorstelling had gezien dat ik een kandidaat was voor de psychiatrie dan wel verslavingszorg.” Voor hem, Gover Meit, was dat een bevestiging dat zijn doel was geslaagd. „Ik zocht het randje op. En blijkbaar heb ik dat gevonden.”

Misschien, zeg ik, was die psychiater wel de enige in de zaal die hem begreep. Hij knikt: „Als mensen wisten hoe erg gelijk die man heeft, hadden ze me meteen van het podium gehaald.” Klinkt niet echt geruststellend, zeg ik. Hij, sussend: „Ik ben zelf mijn beste therapeut. Ik snap oprecht hoe het in mijn hoofd werkt. Zelfs toen ik gek dacht te worden, begreep ik wat ik nodig had, ook al wist ik niet hoe ik daaraan moest komen.” Wat hij nodig heeft? Een podium. Mensen die naar hem luisteren. Zijn donkerbruine ogen staan nu bloedserieus, en hij onderneemt een poging zichzelf uit te leggen. Te beginnen bij het begin.

Ik ben zelf mijn beste therapeut

Hij is de oudste van drie jongens, opgegroeid in Amstelveen. Zijn vader is it’er, zijn moeder doet consumentenonderzoek. Op het gymnasium was hij een extreem brave leerling, zegt hij, op het compulsieve af. „Ik maakte filmpjes, deed aan schooltoneel, zat in jeugdpanels.” Zijn ouders verzorgden zijn volledige culturele en literaire ontwikkeling en stimuleerden zijn persoonlijke groei – „al onze toneel- en werkstukken, spreekbeurten en optredens werden van tevoren geoefend voor en becommentarieerd door mijn ouders.” Daarnaast „brachten, haalden en pamperden” ze hem volledig. „Ik hoefde niks te doen, behalve nadenken.” Zijn ouders, zegt hij, zijn extreem creatief, maar veel te verlegen voor het podium. „Zij besloten hun ambities te laten uitvoeren door hun kinderen.” En hij snakte naar aandacht vanaf het moment dat hij zindelijk was.

Grote sprong: hij is 18 en wil naar de Filmacademie. Hij wordt afgewezen. Zijn moeder pusht hem net zolang tot hij, volstrekt ongemotiveerd, toelatingsexamen doet voor de Rietveld Academie, en wordt aangenomen. „Van de volstrekte veiligheid ging ik naar volledige vrijheid op de academie.” Na vier jaar is hij afgestudeerd conceptueel kunstenaar. Weer een paar jaar later heeft hij een vriendin, een baan als regisseur van een amateurgezelschap, een inkomen. „Ik had alles op het droge, maar het was het allemaal nét niet.”

Dus stopt hij met alles. Weg vriendin, baan, de band waarin hij toen speelde (Wooden Constructions). „Ik wilde verbetering.” Zijn geld en tijd steekt hij in zijn hiphopshow Meitje. „Maar op de première wist ik al na tien seconden: dit is niet goed. Dit is té geforceerd.” En toen? Toen begon de misère. „Na twee maanden was mijn leven onleefbaar. Na drie jaar was ik niks meer.”

Diep in de shit

Van jongs af aan was hij geobsedeerd door Christiane F, het Berlijnse meisje dat op haar veertiende verslaafd raakt aan heroïne. „Ik hunkerde naar zo’n bestaan. Die rauwe, heftige kant van het leven. Ik wilde iemand zijn die ’s nachts om twee uur z’n nest pas uitkomt om een zak chips te kopen. Dan mag je jezelf met recht en rede zielig vinden.” Heroïne spuiten is hem net niet gelukt, al het andere wel. „Drugs versnellen het isolement, de leegte. Het begint als grap: het is cool om diep in de shit te zitten. Maar ineens kom je er niet meer uit.”

Dus dat grimmige bestaan dat hij in Twee Luitenanten beschrijft, is niet verzonnen? „Waar begint en eindigt de fantasie? Soms weet ik het zelf niet meer. Ik wilde uitkomen op een plek waar anderen niet heen durven. Als ik onderweg iets interessants zou tegenkomen, zou ik het misschien op het podium kunnen brengen.” Gevaarlijk experiment, zeg ik. „Als het isolement net iets langer had geduurd, was ik er misschien aan onderdoor gegaan.”

Zelfdestructie, ja. Zelfmoord, nee. Ik heb mezelf bevrijd

Wat hem gered heeft? In willekeurige volgorde: zijn opa, zijn boek en Stefano Keizers. Zijn opa werd hulpbehoevend – we zitten nu in 2013. Hij, zijn moeder en zijn broertje namen de mantelzorg op zich. „Eigenlijk begreep ik niet zo goed waarom hij nog leefde. Hij kwam niet meer buiten, zag niemand en kon niet voor zichzelf zorgen. Geen motivatie, geen interesses, niks. Zijn bestaan was honderd procent parasitair. Precies als het mijne. Ik teerde op de zak van mijn ouders. Wat deed ik beter dan hij?” Een bezoek aan hem, hier in Almere, zoog hem een nog legere leegte in. En op dat dieptepunt is hij gaan opschrijven wat er in hem omging. „Ik gun je een eerlijke, realistische blik in mijn hoofd.” Dit is wat hij meemaakte gedurende de impasse tussen zijn afstuderen en het vinden van een podium.

Het podium heeft hij gevonden, alleen niet als Gover Meit. Onder de naam Stefano Keizers deed hij mee aan het Amsterdams Kleinkunst Festival. „Gover Meit was zo vaak mislukt, die kon beter verdwijnen.” Dat heeft hij dan wel erg letterlijk genomen. Misschien ietsje té? Hij leunt nu nonchalant achterover, peuzelend aan de helft van onze deel-tosti. „Zelfdestructie, ja. Zelfmoord, nee. Ik heb mezelf bevrijd. Ik had die doodverklaring nodig om over angsten heen te stappen.”

Hij ging door naar de finale. Vrienden en ouders in de zaal, die wisten van niks. Hij won. Eindelijk succes. Net op tijd ook. Tevreden: „Stefano Keizers heeft me van de kaart geveegd. In die zin ben ik dood.” En dat boek? „Dat was nooit bedoeld als eindstation. Het was een omweg, een oefening voor het theater.” Zijn uitgever stelde maar één voorwaarde: niet zijn echte naam op de cover, maar die van Stefano Keizers. Hij lacht nu, half-waanzinnig: „Prachtig toch? Stefano Keizers heeft mij van de troon geduwd. Ik ben hem geworden.”

    • Rinskje Koelewijn