Denk anders, dat kun je best

Perspectief Je hoeft niet per se degene te zijn die je uithangt, betoogt Mariët Meester. Wat je als individu zeker denkt te weten, kan in een andere omgeving heel anders zijn.

Beeld Cecilia Paredes

Verwachtingsvol ploeterde ik voort over een modderpad. Ik was op weg naar een afgelegen gehucht in de Roemeense heuvels waar ongeveer vijfendertig families van arme Roma in krotten leefden, met dekzeilen en lappen plastic als dakbedekking. Sinds ik in een boek over hen had geschreven, was ik sommige inwoners als vrienden gaan beschouwen en bezocht hen vrijwel jaarlijks.

Er scheen iets nieuws te zien te zijn: een Nederlandse hulporganisatie, die vroeger ladingen eten en kleren had aangesleept, was overgestapt op een fundamentelere aanpak. Er waren borden met de naam van het gehucht langs de toegangspaden geplaatst. Wanneer mensen een identiteit krijgen, was de argumentatie, dan ontwikkelen ze hun zelfbewustzijn. Toch kon ik de borden nergens vinden. Eenmaal bij mijn vrienden vroeg ik ernaar, in het Roemeens dat ik via zelfstudie had geleerd. „Die mooie borden hebben we weggehaald!”, was het antwoord. „Stel je voor dat kinderen ermee gaan spelen, of dat er modder op komt. Vlak voor de Nederlanders terugkomen zetten we ze weer neer.”

Anderen denken niet altijd zoals wij denken dat ze denken. Bijna nooit zelfs. Zevenenhalf miljard mensen kijken allemaal vanuit hun eigen perspectief naar de wereld, en dat perspectief wordt bij iedereen op een verschillende manier opgebouwd. Een jaar na het einde van de communistische dictatuur verbleef ik ook in Roemenië, om materiaal voor mijn boek te verzamelen. Van Roma die minder arm waren dan de Roma in het krottengehucht hoorde ik overal hetzelfde: ze wilden naar Duitsland. Ook mensen die bijvoorbeeld in een fabriek werkten, waren aan het sparen voor de reis. Ik vroeg dan altijd wat ze in Duitsland in vredesnaam wilden gaan doen. „Daar kun je naar een Lager!”, was onveranderlijk het enthousiaste antwoord. Niemand had enig idee welke connotatie het woord Lager, kamp, in verband met Duitsland had, laat staan dat ze wisten wat hun eigen voorvaderen in zulke kampen was overkomen. Volgens hen kon je er het beste zonder visum naartoe gaan, en dan op een manier waarover ze vaag bleven de grens oversteken. Lopend of zo. ’s Nachts. Je kwam dan vanzelf terecht in zo’n Lager. Daar kreeg je eten en een bed, en als je er een maand was geweest had je maar liefst honderd, nee driehonderd, nee vijfhonderd mark op zak, de bedragen die ze noemden varieerden.

Slechte daad

Wel gebruikte iedereen het woord ‘verdienen’, je ‘verdiende’ dat geld in een Lager, zomaar, door aanwezig te zijn. „Ja, en ze geven je ook werk”, wist dan altijd wel iemand te vertellen, wat anderen ontkenden; werk gaven ze je pas na zes maanden. Eén vrouw, secretaresse van een politieke partij, hoopte vierduizend mark binnen te halen, genoeg om in Roemenië een flat te kopen. Daarna wilde ze een Mercedes 300 SE.

Ook korter geleden, tijdens logeerpartijen bij mij thuis, zeiden Roemeense Roma dingen die op mij nogal wonderlijk overkwamen. Tijdens een wandeling in de natuur wees een logé naar een stuk bos waaruit bomen waren verwijderd. Op samenzweerderstoon zei hij dat daar hout was gestolen. Ik legde uit dat een bos op z’n tijd moet worden uitgedund, maar hij vond mij naïef. Dat hout was gejat, dat was toch duidelijk? Dezelfde figuur was net terug van een bezoek aan een neef in Parijs, die chef in een restaurant was geweest. Sinds een arbeidsconflict had de man geen werk meer en ontving voor zijn gezin een uitkering van vijftienhonderd euro. Kennelijk vond hij dat niet voldoende, want op naam van mijn logé had hij twee bankrekeningen geopend en op ieder vijftig euro gestort. Daarna waren ze met de bijbehorende cheques de stad ingegaan en hadden kleren en telefoons ingeslagen, pas na drie dagen werden de rekeningen geblokkeerd. Toen mijn logé dat vertelde preekte ik met Nederlands moralisme dat ze dus een slechte daad hadden begaan, maar hij vond dat overdreven. „Mijn neef krijgt dat allemaal van Frankrijk.”

De meeste misverstanden tussen mensen ontstaan doordat jij er onbewust van uitgaat dat zij hetzelfde zijn als jij, dat zij hetzelfde zien

Waarom vertel ik dit? Niet om kwaad te spreken. Deze mensen maken deel uit van een groep die zich generatie na generatie niet heeft kunnen ontwikkelen, die op alle mogelijke vlakken is ontkend en verwaarloosd. Hun mentaliteit is gevormd door bepaalde ervaringen, en het zijn juist die ervaringen die hun werkelijkheid laden met betekenis. Voor mijzelf geldt dat evengoed. Wanneer ik voor de zoveelste keer iets hoor over mensen die zonder veel voorkennis proberen West-Europa binnen te komen, niet op de vlucht voor een oorlog maar op zoek naar een inkomen, kan ik mijn herinneringen niet zomaar uitschakelen. Daar komt bij dat ik maandelijks ongeveer hetzelfde bedrag te besteden heb als de Parijse neef krijgt bijgeschreven. Maar ik verdien het zélf. Ik ben er tevreden mee, een spannend bestaan is ook een vorm van beloning, maar het telt allemaal wel weer mee bij de manier waarop mijn ogen zijn ingesteld.

Na inspanningen een ‘gewone man’ zijn

Vrijwel al mijn vrienden in Nederland leven anders. Ze hebben het goed, heel goed, en gaan vooral met geslaagde mensen om. Laatst waren zulke vrienden verontwaardigd over het asielbeleid in Denemarken, dat alweer strenger was geworden. Ik probeerde te zeggen dat ik soms de aanhangers van anti-immigratiepartijen best begrijp. De gezinnen uit het krottengehucht in de heuvels – ze zitten er trouwens nog steeds – waren al blij als ze een homp brood voor de volgende dag konden bemachtigen, naar het buitenland gaan was ver buiten hun reikwijdte. Het zijn nooit de allerarmsten die vertrekken, die zijn helemaal niet in staat om geld voor de reis te verzamelen.

Ik heb de indruk dat de mensen die op anti-immigratiepartijen stemmen over het algemeen ook niet tot de allerarmsten in hun land behoren. Vaak zijn het degenen die wel beseffen dat het leven moeilijker is geweest dan tegenwoordig, maar die na de nodige inspanningen ‘de gewone man’ zijn geworden. Het trekt hen niet om hun verworven welvaart te moeten delen met mensen van wie ze veronderstellen dat die ook niet van plan zijn iets met hen te delen. Wanneer ze roepen dat de nieuwelingen alleen maar komen om te profiteren, is dat in feite een projectie van hun eigen levenshouding. Ze gaan ervan uit dat de ander op een manier denkt die hun eigen manier van denken weerspiegelt, ofwel: zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.

Lees ook: Iedereen die denkt dat hij of zij man, vrouw, wit of zwart ‘is’, heeft een probleem

Voor mensen die heel idealistisch zijn geldt overigens hetzelfde; zij veronderstellen dat de nieuwkomers altruïsme kennen, dat ze nobele motieven hebben. Maar misschien zijn de nieuwkomers wel zelfzuchtiger dan zij denken, wie zal het zeggen. De nieuwkomers zijn – gegeneraliseerd – ‘de gewone man’ in het land waar ze vandaan komen, zodat ze mogelijk meer overeenkomsten vertonen met de mensen die kritiek op hun komst uiten dan met de welwillenden.

Mijn ideeën, doelen en zelfs mijn persoonlijkheid bleken vloeibaarder dan ik wist

Latent weet iedereen dat we allemaal anders denken, dat juist daaruit zowel kleine irritaties als grote oorlogen voortkomen. Maar het helpt als een ander het nog eens voor je formuleert. In mijn geval was het een Duitse fotograaf, Oliver Möst, die me uitlegde dat de meeste misverstanden tussen mensen ontstaan doordat jij er onbewust van uitgaat dat zij hetzelfde zijn als jij, dat zij hetzelfde zien. Sinds Mösts opmerking is mijn leven mooier, interessanter en gek genoeg ook makkelijker geworden. Zodra iemand iets zegt of doet wat mij verkeerd of ronduit dom lijkt, bijvoorbeeld wanneer de een of andere politicus de maximumsnelheid verhoogt, de sociale werkplaatsen afschaft of kunst een hobby noemt, maak ik mentaal een biografietje van die persoon en denk: ahá. Marcus Aurelius wist het rond het jaar 170 na Christus al: alles wat we horen, alles wat een ander poneert, is een opinie, geen feit. Dat wat we zien is een perspectief, geen waarheid.

Hoe snel een mens zich aanpast

Maar het gaat nog verder. Een jaar of acht geleden reisde ik voor research naar de Verenigde Staten, om tijdelijk in een stadje te gaan leven dat voor 50 procent wordt bewoond door mensen van Nederlandse komaf die een streng geloof aanhangen. Ik had er familie, van tevoren had ik besloten me volledig voor hen open te stellen. Iedere zondag ging ik zowel ’s ochtends als ’s middags mee naar hun kerkdiensten. Al na twee maanden begon ik het gevoel te krijgen dat ik een nieuwe identiteit had aangenomen. Alles wat ik hoorde en zag, begon deel van mijn denken uit te maken. In het boek dat ik er later over publiceerde, schreef ik: „Van het ene op het andere moment woon ik in de staat Washington en leef het leven dat je hier leeft. In no time is mijn kennissenkring zich aan het uitbreiden en dat gaat zomaar goed. Ik zou hier best kunnen blijven, het verbaast me hoe snel een mens zich aanpast.” 

Iedereen die ergens over oordeelt is een beetje gehandicapt; je zit nu eenmaal opgescheept met je eigen subjectiviteit

Mijn ideeën, doelen en zelfs mijn persoonlijkheid bleken vloeibaarder dan ik wist. Moet ik per definitie degene zijn die ik in Nederland ben?, begon ik me af te vragen. Ik kon me voorstellen dat ik alles van thuis radicaal zou afkappen om daar, in het Amerikaanse stadje, iets nieuws op te bouwen. In één klap was ik opgenomen in een gemeenschap die me hielp om richting aan mijn bestaan te geven. Een moraal werd me er kant-en-klaar aangereikt, dat had iets aanlokkelijks.

Na terugkomst in Nederland rolde ik in mijn oude bestaan terug, maar nu met de wetenschap dat in het Amerikaanse stadje hele groepen mensen absoluut zeker van hun eigen gelijk waren. Na hun dood zouden ze daar zelfs voor worden beloond met een verblijf in de hemel. Ineens kwam het vreemd op me over dat ook de mensen tussen wie ik me in Nederland begaf, ervan overtuigd waren dat hun eigen visie de enige juiste was.

Joseph Roth

Ik denk nu wel dit en ik zeg nu wel dat, maar in hoeverre komt dat door de manier waarop ik ben gevormd? Iedereen die ergens over oordeelt is een beetje gehandicapt; je zit nu eenmaal opgescheept met je eigen subjectiviteit. Tegelijk, en dat is de grote grap, moet je er altijd rekening mee houden dat ook alle anderen zijn gevormd door een torenhoge stapeling van subtiele en minder subtiele facetten. Maar zij realiseren zich dat misschien niet, zodat ze ook geen rekening houden met jouw anders-zijn. In zijn roman Vlucht zonder einde uit 1927 illustreert Joseph Roth hoezeer de mens geneigd is zijn ideologie aan te passen aan de omstandigheden. De hoofdpersoon is een Oostenrijkse luitenant die door toeval bij strijders van het Rode Leger terechtkomt, waarna hij net zo gaat denken en handelen als zij. In de situaties waarin hij later belandt, past hij zijn ideeën weer aan.

Lees ook: Waarom veranderen zo lastig is (en wat wél werkt)

Het lezen van Roth bevestigde het voor mij weer eens: ook jezelf kun je niet honderd procent vertrouwen. Ooit heb je jezelf wijsgemaakt dat je moest denken zoals je denkt, dat je naar de wereld moest kijken zoals je kijkt, maar daar kun je minder van op aan dan je veronderstelt. Er is dus ook geen reden voor al te veel zelfgenoegzaamheid. Wat jij als individu vindt, dat wat je zeker meent te weten, zou anders zijn wanneer je langere tijd elders verbleef. Tegelijkertijd geeft dat je een zekere vrijheid. Je hoeft niet per se degene te zijn die je uithangt. Je moet het doen met jezelf, maar het is niet je enige mogelijke zelf. Het is mogelijk om de richting bij te sturen. Je kunt bijvoorbeeld eens gaan optrekken met mensen die uit een andere cultuur komen, of die van een andere leeftijd zijn. Daarmee train je je inlevingsvermogen. Ook het lezen van goede romans kan helpen, meer nog dan het kijken naar goede films. Film blijft voornamelijk buitenkant, in mijn ogen – maar welke ogen? – is het lezen van literatuur de beste mogelijkheid om tijdelijk in andermans gedachtenwereld te verblijven en die te doorgronden. Zo versoepel je je geest. En soepele geesten leven prettiger samen met andere soepele geesten.

    • Mariët Meester