Recensie

De doden bleven erbij horen op 17de-eeuwse portretten

Lief en leed Groepsportretten uit de 17de en 18de eeuw bevatten vaak ook de overleden familieleden. Een expo in Rijksmuseum Twenthe vertelt hun verhalen.

Pieter van Mierevelt, Familie van Mierevelt, 1617-1623. Verschillende familieleden werden later toegevoegd, onder wie de overleden zus Aechgen (linksboven) en de overleden Maritgen (achter de poot van de schildersezel). Foto Rijksmuseum Twenthe

Uit het oog, uit het hart, luidt het gezegde. Wie men niet of nauwelijks ziet, verliest langzaamaan zijn plaats in de herinnering. Daaruit volgt dat, andersom, bijna automatische genegenheid uitgaat naar ieder die wel in beeld is. Voor Hollandse schilderijen met groepsportretten uit de zeventiende en achttiende eeuw gaat deze implicatie in ieder geval op, zoals blijkt uit een fascinerende expositie in Rijksmuseum Twenthe.

De bonte parade van schilderijen loopt sterk uiteen in afmetingen, voorstelling en kwaliteit. Naast werken van begaafde portrettisten als Abraham van den Tempel en Cornelis Troost, lijkt de aanwezigheid van een houterige pastel door Rienk Jelgerhuis (1729-1806) raadselachtig. Deze Friese tekenaar en schilder trok door het land als snelportrettist: uit zijn eigen administratie blijkt dat hij aan het eind van zijn leven liefst 7.763 kleine schilderijen had gemaakt. Zijn portret van een zittende hoogbepruikte vrouw met een gele japon, met naast haar een jong meisje, blijkt van belang omdat het meisje op het moment van schilderen in werkelijkheid al drie weken was overleden.

Iets dergelijks kenmerkt het merendeel van de getoonde werken. Sterfte onder baby’s en kraamvrouwen, of bijvoorbeeld een echtgenoot of studerende zoon, was destijds bijna aan de orde van de dag. Maar de doden bleven erbij horen. Een schilderij uit 1638 toont een Enkhuizer echtpaar met twee jonge kinderen, poserend bij drie wiegjes met elk drie gestorven zuigelingen. In andere portretten zweven dode kinderen met vleugels, als engelen in de lucht. Opvallend bleek getinte en soms zelfs spookachtig vervagende figuren duiden vaak ook op hun reeds voltooide leven.

Rienk Jelgerhuis, Mevrouw Dutry van Haeften met kind, 1778. Particuliere collectie

Foto Rijksmuseum Twenthe

Ook groepsportretten waarin eenieder blakend van gezondheid verschijnt, blijken vaak een beeld te geven dat niet meer strookte met de werkelijkheid, zoals een prachtig portret dat Bartholomeus van der Helst in 1666 maakte van het Amsterdamse echtpaar Hinlopen. In het midden zit de welgedane gestalte van de man die zijn echtgenote teder bij de pols vasthoudt. Zijn pose en kleding lijken echter verdacht veel op een eerder portret door dezelfde schilder; een schijnbare gemakzucht die voor zowel de kunstlievende geportretteerde als de kunstenaar eigenlijk ondenkbaar is. Hinlopen blijkt volgens archiefdocumenten al te zijn overleden tijdens het werk aan het schilderij. Om het portret toch te kunnen voltooien greep de schilder terug op de eerdere beeltenis. Het detectivewerk dat samenstellers Rudi Ekkart en Claire van den Donk naar aanleiding van dergelijke portretten hebben gedaan, wordt in de catalogus uitvoerig uit de doeken gedaan.

Materiaaltechnisch onderzoek heeft ook voorbeelden aan het licht gebracht van figuren die in de loop der tijd zijn weggeschilderd. Het is verleidelijk te veronderstellen dat insluipende familieruzie een reden is geweest om verwanten te laten verdwijnen. Maar een sluitende verklaring blijkt in geen enkel geval te kunnen worden gegeven. Alle onderhoudende speculatie en familieroddel ten spijt, zal het wegwerken van figuren meestal een poging tot verbetering van de compositie zijn geweest.

    • Bram de Klerck