Brieven

Brieven

Foto ANP Xtra

In een interview in NRC vertelde Rinus Otte, die lang strafrechter was en tegenwoordig bij het Openbaar Ministerie deel uitmaakt van het college van procureurs-generaal, dat hij tegen het eind van zijn rechterschap tijdens de zitting al bezig was met het verwerpen van verweren die mogelijk zouden komen (‘Het strafrecht is niet bedoeld als maatschappelijk werk’, 3/11). In plaats daarvan had hij zijn tijd ook kunnen doden met het verzinnen van verweren die mogelijk hout zouden snijden.

In dat interview schond hij het geheim van de raadkamer (artikel 7, lid 3 Wet op de rechterlijke organisatie) toen hij een gratieadvies van het gerechtshof besprak en daarbij het verloop van de discussie weergaf. Het is, met andere woorden, misschien zo slecht nog niet dat Otte de zittende magistratuur inmiddels heeft verlaten. Alleen, het raadkamergeheim geldt óók voor ex-rechters. Over hetgeen hij vroeger in de raadkamer met zijn collega-rechters heeft gesproken, moet hij blijven zwijgen. Overtreding van dat voorschrift is zelfs strafbaar. Er kan een jaar gevangenisstraf voor worden opgelegd. Opvallend dus dat tot dusver van enige reactie van het Openbaar Ministerie geen spoor te bekennen is. Geldt het strafrecht niet voor eigen kring?

Otte zou trouwens enige aandacht van vervolgende instanties voor zijn schending van het raadkamergeheim zelf ongetwijfeld billijken. Op de vraag of het recht niet het domein van het hart is, antwoordde hij immers: „Zeker niet. We hebben voor dit systeem gekozen omdat we willekeur willen voorkomen. Het gaat om het hoofd, en om de uitleg van het wetboek.” Daar komt nog bij dat hij ten aanzien van de schending van vertrouwelijkheid een recidivist is: ook zijn destijds geruchtmakende boek De nieuwe kleren van de rechter (2010) berustte immers voor een substantieel deel op de onthulling van vertrouwelijke ontboezemingen van anderen.

Geef mr. Otte, kortom, wat hem toekomt: aandacht van de handhavers van het strafrecht.


oud-rechter
    • Reiner de Winter