Recensie

De minnares van Rietveld: een ‘overgevoelige zeurkous’ in een mannenwereld

Truus Schröder-Schräder en Lotte Stam-Beese

In de 20ste eeuw beperkten de meeste vrouwelijke architecten zich tot interieurs. Zo ook Truus Schröder, de ‘geheime’ liefde van Gerrit Rietveld. Maar niet Lotte Stam-Beese, de ‘moeder van Pendrecht’.

Rietveld Schroderhuis, Utrecht. Uit het boek ‘Weelde van de eenvoud'. Foto’s Arjan Bronkhorst

Het treurigste tafereel dat Jessica van Geel schildert in I love you, Rietveld is dat van de vrome, gereformeerde Vrouwgien Rietveld die de Bijbel zit te lezen boven de nu niet meer bestaande bioscoop Vreeburg aan het Vredenburgplein in Utrecht. Hier woonde ze vanaf 1936 met haar man, Gerrit Rietveld (1888-1964), en met vier van haar zes kinderen in een woning die, net als de bioscoop eronder, door haar echtgenoot was ontworpen. Vaak zat ze in de kale woonkamer in de oncomfortabele ‘Berlijnse stoel’ van haar man, met Bijbel en sigaretten binnen handbereik. Als de zon scheen, had ze een zonnebril op, omdat ze niet het overvloedige licht kon verdragen dat door de grote ramen naar binnenviel.

‘Ze was niet gelukkig’, laat cultuurhistoricus Van Geel Bep, de oudste dochter van de Rietvelden, over haar moeder zeggen. ‘Zij was een vrouw die graag een soort patriciërshuis had gehad, met degelijke meubels erin die ze kon boenen.’ Tot haar dood in 1957 zou Vrouwgien Rietveld boven de bioscoop blijven wonen, ‘hoog zwevend boven een plein, afgesneden van het leven’.

Twaalf jaar voor zijn eigen woning had Rietveld het Rietveld-Schröderhuis gebouwd, de zuiverste proeve van echt gebouwde De Stijlarchitectuur. Dit huis had hij in opdracht van en samen met zijn minnares en opdrachtgeefster Truus Schröder-Schräder (1889-1985) ontworpen. Met haar begon hij een architectenbureau in een kamer op de begane grond. Jarenlang verliet hij elke werkdag ’s ochtends zijn eigen huis om op zijn motor naar het De Stijlhuis in de Prins Hendriklaan te rijden en daar samen met zijn geliefde aan de slag te gaan. In 1957, toen zijn vrouw was overleden, ging hij met Schröder-Schräder samenwonen in het huis dat hem wereldberoemd had gemaakt.

Rietveld en Schröder-Schräder hadden elkaar leren kennen in 1911, toen Gerrit nog meubelmaker was in dienst bij zijn vader Jan Rietveld en Truus gebukt ging onder een slecht huwelijk met advocaat Frits Schröder, met wie ze drie kinderen zou krijgen. Ze ontmoetten elkaar voor het eerst toen de Rietvelden een schrijftafel afleverden in het grote neoclassicistische huis van het echtpaar Schröder-Schräder. Toen Truus kritiek leverde op het meubel omdat het niet in de sobere stijl van Berlage was gemaakt, was de oude Rietveld gepikeerd. Maar Gerrit keek haar uitdagend aan. ‘Hij gaf haar een blik van verstandhouding, een blik die ze nooit zou vergeten’, schrijft van Geel. ‘Hij leek haar te begrijpen.’

Bij latere ontmoetingen bleek Rietveld het tegendeel van Schröder-Schräders ouderwetse echtgenoot die haar met haar hang naar het ‘nieuwe’, anders dan hij had beloofd, weinig ruimte gaf. Met Gerrit kon ze praten over boeken, filosofie en de ‘mooie maatverhoudingen’ van Berlage. In 1921 liet ze hem in het huis waar ze ‘ziek werd van de hoge kamers’ een ruimte op haar aanwijzingen veranderen in een sobere ‘kamer-met-de-mooie-grijzen’. Na de dood van haar man in 1923 gaf ze Rietveld de opdracht een huis te bouwen op een perceel dat ze aan de rand van het toenmalige Utrecht had gekocht. In een aantekenboekje schreef ze later dat ze ‘feitelijk de hele opzet van het huis’ had bedacht.

Mythe

In het woord vooraf geeft Van Geel uitleg over haar boek over de veertig jaar durende verhouding tussen Truus en Gerrit, die ze ‘geheim’ noemt, hoewel alles erop wijst dat Rietvelds gezin en anderen ervan op de hoogte waren. Het grootste deel van haar verslag is gebaseerd op brieven, herinneringen en aantekeningen uit archieven waaronder dat van Truus Schröder-Schräder. ‘Alle gebeurtenissen zijn waargebeurd’, schrijft ze over I love you, Rietveld waarvan de titel is ontleend aan zinnetjes als ‘I l y, R.’ waarmee Rietveld zijn brieven aan zijn geliefde afsloot. ‘Of tenminste: ze zijn uit de eerste hand, of verwoord tijdens gesprekken met nabestaanden en andere getuigen. De rest is geschiedenis.’

Het resultaat is een chronologisch en soms sappig verslag van heel veel wat direct of indirect met hun relatie heeft te maken, van de lotgevallen van Schröder-Schräders kinderen in Indonesië tot Rietvelds boze en dwarse dochter Bep die haar vader elders liet herbegraven toen Truus na haar overlijden in 1985 naast Gerrit kwam te liggen.

Actrice Audrey Bolder (45) maakte een solovoorstelling over het leven van de oudste dochter van meubelmaker en architect Gerrit Rietveld, die haar vader zag wegdrijven van zijn gezin. Lees ook: Hij liet zijn dochter half in de steek

Maar Van Geel heeft van alle informatie uit de eerste hand geen boeiend verhaal weten te maken. I love you, Rietveld is grotendeels niet meer dan een lange aaneenrijging van brokstukken. Hieruit komt Schröder-Schräder naar voren als een overgevoelige zeurkous en Rietveld als een egocentrische botterik. Zo maakte hij zijn dochter Bep onmiddellijk duidelijk dat de schilderkunst na Mondriaan overbodig was geworden toen ze hem liet weten dat ze schilder wilde worden.

Te gebrekkig schetst Van Geel de maatschappelijke en kunsthistorische context waarin Rietveld en Schräder-Schröder leefden en werkten. Ook interpreteert ze nauwelijks en geeft ze vrijwel zonder commentaar door wat ze heeft gevonden en gehoord. Ze lijkt niet te beseffen dat een ‘historicus niets voor waar moet aannemen en zeker niet moet geloven wat tijdgenoten vertellen over gebeurtenissen waar ze zelf bij betrokken waren’, zoals de Duitse historicus en Albert-Speerbiograaf Magnus Brechtken onlangs in een interview in deze krant zei. Zo herhaalt ze het bekende verhaal uit 1958 van Rietveld zelf dat hij in de jaren voor 1919 voor zijn eigen plezier ‘gekke stoeltjes’ maakte. Die hield hij verborgen, maar op een dag liet hij ze toch zien aan het De Stijllid Robert van ’t Hoff. Die zag meteen dat ze verwant waren met ontwerpen van leden van De Stijl en ried hem aan lid te worden van de kunstbeweging.

Met dit verhaal wilde Rietveld suggereren dat zijn lattenstoel een true orginal was, die hij al in 1918 of zelfs 1917 in volstrekte afzondering had gemaakt. Maar al in 2011 heeft Marijke Küper in De stoel van Rietveld, dat Van Geel overigens wel in haar literatuurlijst heeft opgenomen, aangetoond dat de lattenstoel pas in 1919 is gemaakt, kort voordat deze als ‘leunstoel van Rietveld’ werd gepubliceerd in het septembernummer van De Stijl.

Emancipatie

Wat Schröder-Schräders aandeel in de ontwerpen van het architectenbureau Rietveld-Schröder nu precies was, staat ook niet in I love you, Rietveld. Wel wordt duidelijk dat ze zich vooral bezighield met interieurs. De beperking tot binnenhuisarchitectuur was het lot van de meeste vrouwelijke architecten in de twintigste eeuw, schrijft cultuurhistoricus Hanneke Oosterhof in Want de grond behoort ons toe. Leven en werk van stedenbouwkundig architecte Lotte Stam-Beese, haar biografie van Lotte Stam-Beese, waarop ze onlangs promoveerde. De opvatting dat interieurs vooral iets voor vrouwen waren, was toen tenslotte algemeen.

Lees ook: Zaha Hadid: de prima donna van de architectuur

Maar de van oorsprong Duitse architecte Lotte Stam-Beese (1903-1988) wist via een lange weg aan dit lot te ontsnappen. In 1927 begint Lotte Beese aan een studie aan het Bauhaus. Daar krijgt ze een verhouding met de directeur van de beroemde kunsthogeschool in Dessau, de communistische Zwitserse architect Hannes Meyer. Meyer is getrouwd en Lotte Beese moet van hem het Bauhaus verlaten. Na een paar jaar werken bij architectenbureaus in Duitsland en Tsjechoslowakije, reist Beese in 1930 Meyer achterna, die zich na zijn ontslag als Bauhausdirecteur in Moskou heeft gevestigd om nieuwe industriesteden te ontwerpen die in het kader van het eerste vijfjarenplan worden gebouwd.

Al gauw loopt de relatie tussen Meyer en Beese stuk en keert ze, zwanger, terug naar Brno. Niet lang na haar bevalling vertrekt ze naar Charkov, waar ze emplooi vindt bij een staatsinstelling. Hier ontmoet ze de Nederlandse architect Mart Stam, met wie ze naar Moskou gaat. Daar werken ze aan nieuwe steden tot ze in 1934 het land moeten verlaten.

Verlangen naar Stalin

In Nederland begint het inmiddels in de echt verbonden tweetal een architectenbureau in Amsterdam. In 1943 scheidt Stam-Beese van Stam, vier jaar later gaat ze werken bij de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam waar ze modernistische nieuwbouwwijken als Kleinpolder ontwerpt en uitgroeit tot de ‘moeder van Pendrecht’.

Hoewel ze met eigen ogen de gruwelen van het stalinisme heeft gezien, heeft ze zich er nooit van gedistantieerd.

Bij Stadsontwikkeling wordt ze altijd ‘mevrouw Stam’ genoemd. De meeste van haar collega’s vinden haar afstandelijk, koud, streng, dominant en bot, schrijft Oosterhof. Haar dochter Ariane Stam noemt haar zelfs harteloos. Toch is het eindoordeel van Oosterhof over Stam-Beese mild. ‘Lotte was een geëmancipeerde vrouw, die het is gelukt een aanzienlijke positie in te nemen in een door mannen beheerst vakgebied’, schrijft ze. ‘Ze toonde zich in deze mannenwereld vrij en onafhankelijk.’

Führerbau

Over Stam-Beeses werk in Stalins Sovjet-Unie schrijft Oosterhof vergoelijkend. In Charkov, de toenmalige hoofdstad van Oekraïne waar begin jaren dertig veel hongerenden rondzwierven, was Stam-Beese getuige van de Holodomor, de door de Stalinisten geïnitieerde hongersnood die miljoenen mensen het leven kostte, schrijft ze. En voor haar laatste opdracht in de Sovjet-Unie, het ontwerp van een nieuwe stad in een woestijn in Kazachstan bezocht ze een kamp met dwangarbeiders. Maar hoewel ze met eigen ogen de gruwelen van het stalinisme heeft gezien, heeft ze zich er nooit van gedistantieerd. In tegendeel, hoewel ze het land werd uitgeknikkerd en voordien bang was dat ze in een kamp zou eindigen, bleef ze lange tijd terugverlangen naar Stalins Sovjet-Unie en zou ze er ‘wel op haar knieën naar willen terugkeren’, vertelde ze in een interview dat ik twee jaar voor haar overlijden in 1988 met haar had. Ze bleef zich altijd marxiste noemen en beschouwde het stalinisme en de Goelag als een ‘historische noodzakelijkheid’.

Toch noemt Oosterhof Stam-Beese ‘in feite een toeschouwer’ van het stalinisme. Tot dit oordeel komt ze na een vergelijking met Gerdy Troost, de vrouw en bureaupartner van Paul Ludwig Troost die tot zijn plotselinge dood in 1934 de favoriete architect van Hitler was. Na de dood van haar man zette Gerdy Troost het architectenbureau voort. Ze werd een goede vriendin van Hitler en voltooide onder meer de Führerbau in München.

Gerdy Troost was de medeplichtige van een misdadig regime, vindt Oosterhof, Lotte Stam-Beese niet. Maar de vergelijking tussen Stam-Beese en Troost gaat mank. Het nazi-equivalent van Lotte Stam-Beese is niet Gerdy Troost, maar bijvoorbeeld een Nederlandse architect die lid was van de NSB, in nazi-Duitsland ging werken en na de oorlog tot zijn dood volhield dat hij een idealist was.

    • Bernard Hulsman