Recensie

Sluijters’ wildste jaren beleeft de schilder in Parijs

Tentoonstelling

Het Noordbrabants Museum wijdt een tentoonstelling aan de vroege, ‘wilde’ jaren van Jan Sluijters. In deze periode van 1904 tot 1914 reisde hij naar Rome en Parijs, trouwde tweemaal en schilderde hij vol levenslust.

Jan Sluijters, Larens landschap met oktoberzon, 1910. Olieverf op doek, 59 x 72 cm. Collectie Stedelijk Museum Schiedam.

In de jaren tien van de vorige eeuw waren Piet Mondriaan (1872-1944) en Jan Sluijters (1881-1957) de gangmakers van de moderne schilderkunst in Nederland. Mondriaans modernisme was wat cerebraler en uiteindelijk zelfs letterlijk rechtlijniger dan dat van Sluijters, die het goede leven schilderde in losse toetsen en heldere kleuren. Sluijters was dan ook een Brabander van origine. Het Noordbrabants Museum in zijn geboorteplaats ’s-Hertogenbosch heeft een mooie verzameling werk van hem en wijdt daarbovenop nu een tentoonstelling aan zijn ‘wilde jaren’: de periode 1904-1914.

In die tien jaar ontworstelde de jonge Sluijters zich aan zijn opleiding, maakte reizen en vrienden, trouwde tweemaal, probeerde de internationale schilderkunstige modes uit, veroorzaakte ophef en oogstte lof. Dat verhaal wordt in de Bossche tentoonstelling voorbeeldig verteld: niet of nauwelijks met tekstbordjes, maar aan de hand van sterke ensembles schilderijen en tekeningen, bij elkaar geleend uit veel verschillende collecties.

De presentatie begint met een klassiek academisch historiestuk, De profeet Elisa en de zoon der Sunamitische vrouw. De 22-jarige Sluijters wint er in 1904 de Prix de Rome mee. Met dat reisstipendium gaan zijn echtgenote Bertha en hij naar Rome. We zien haar met een parasol op een muurtje zitten voor een uitzicht op de stad. We zien ook een kopie die Sluijters maakte naar Correggio’s Danae, want het idee achter de Prix de Rome was dat de winnaar zich in Italië aan de kunst van de Oudheid en de Renaissance zou laven. Een jaar later wordt Sluijters door de Prix-commissie naar Spanje gestuurd, waarvan ook een paar schilderijen getuigen.

Jan Sluijters, Bal Tabarin, 1907. Olieverf op doek, 200 x 140 cm. Stedelijk Museum Amsterdam

Maar eigenlijk wil hij naar Parijs, de stad die hij onderweg steeds aandoet omdat zich dáár de nieuwste ontwikkelingen in de schilderkunst afspelen. Hij schildert er straten en pleinen, kroegtaferelen à la Toulouse-Lautrec en – in navolging van Kees van Dongen – pasteuze feestverlichting in vibrerend donker. Een hoogtepunt is zijn schilderij van de Parijse danshal Bal Tabarin (1907), waarin een menigte mensen danst onder een menigte lampen. De verlichting lijkt wel vuurwerk. Great balls of fire boven een werveling van hoeden, jurken en geknikte knieën. Jeugdige levenslust in verf.

Het doek werd geweigerd door de jury van de vierjaarlijkse Tentoonstelling van Levende Meesters. Te wild, te ongewoon. Een schilderij van twee zoenende Parijse vrouwen, dat gek genoeg ontbreekt op de tentoonstelling, was voor de Prix de Rome-jury reden om Sluijters’ werkbeurs in te trekken. In de volgende zaal blijkt dat hij onverdroten voortwerkte, zij het nu in Brabant en het Gooi. De vuurballen zijn geen kroonluchters in de Lichtstad meer, maar zonnen boven de Hollandse klei. Confetti-achtige kleurtoetsen beschrijven velden en wegen in plaats van dansende stellen. Boven drie landschappen bij Laren – waar Sluijters in 1909 met zijn nieuwe vriendin Greet ging wonen – schijnt steeds een andere zon. Een gele met rode straaltjes. Een witte, rood omrand, met groene en blauwe blokjes eromheen. En zelfs een blauwe, in halo’s van rood, geel en wit.

In de laatste zaal is het 1911 en doet de invloed van Braque en Picasso zich gelden. Maar van hun kubisme nam Sluijters alleen de vormgeving over, niet de intentie. Hij trok ineens rechte en licht gebogen lijntjes door zijn stillevens en interieurs, maar die stileringen vertroebelen het beeld eerder dan dat ze het versterken. Gelukkig hield hij het kubisme al snel weer voor gezien. Intussen had hij toch maar bekeken wat de nieuwste stroming hem te bieden had.

De tentoonstelling is een rondgang. Vanuit de laatste zaal stap je de eerste weer in, met het donkere academische figuurstuk dat Sluijters de Prix de Rome bezorgde. Het is misschien een onbedoeld effect, maar terug bij dat begin realiseer je je des te beter hoe wild zijn wilde jaren waren.

    • Gijsbert van der Wal