Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Oudermishandeling

In de straat van mijn moeder (87) werd ik aangesproken door een buurtbewoner. Ze beschuldigde me ervan dat ik alleen maar bij mijn moeder op bezoek ging opdat ik columns over haar kon schrijven. „Het is wel wat meer dan dat, mevrouw”, zei ik om de schande compleet te maken. „Ik wil die stukjes bundelen, daarom ben ik hier de laatste tijd zo vaak. Ik kom er nog wat te kort.”

Het was een schandalig grapje, of misschien wel, ze zei het fluisterend: oudermishandeling.

Haar zoon kwam wel wekelijks en dan werd er niet gezucht of gesteund. Die zoon stak de handen wel uit mouwen. Bij haar bladderde de verf niet van de kozijnen.

„Ik heb gezegd!”

Even zo goed was ik met een boodschappentas op weg naar de Lidl, want alleen daar hebben ze voorverpakte plakjes jonge kaas die ze behalve betaalbaar ook lekker vindt. Mijn moeder schrijft op boodschappenbriefjes niet alleen wat ik moet halen, maar ook waar ik het moet halen. Het liefst zou ze ook nog opschrijven hoe of ik de gekochte waar in de tas moet stoppen want daar heeft ze ook altijd kritiek op.

„Welke volwassen man doet de roomboter onder in de tas en daarbovenop dan een pak melk en een fles Cola?”

Ja, dat wist ik ook niet.

„Welke bejaarde vrouw drinkt er Cola?”

Antwoord: „Bij de handwerkclub iedereen.”

Ja, dat wist ik dan weer niet, ach er was zoveel dat ik niet wist. Toen ik nog sliep was de trombosedienst langs geweest, nog voor negenen.

„Die man poetst zijn schoenen wel.”

Haar aardige overbuurman stuurde een sms. Hij nodigde me uit om de volgende keer als ik in Velp was te komen praten over ‘hoe oude mensen zich staande houden en hoe wij daarover denken’. Dat komt er nou van als je opschrijft dat ze d’r gehaktballen laat aanbranden, dacht ik bij mezelf.

Ik vroeg mijn moeder hoe zij eigenlijk over de toekomst denkt, zeker nu haar buurvrouw naar een verzorgingstehuis was vertrokken. Kort samengevat: met geen tien paarden krijgen ze haar weg, ze blijft waar ze is. En voor de rest was alle hulp welkom.

„Hulp die komt, maar die ook weer gaat.”

Dat was dan weer een voordeel van kinderen hebben. Dat was tenminste hulp waar je niet de hele tijd tegen hoefde te glimlachen, waar je je hardop aan kon ergeren en waarvan je dan toch het aan zekerheid grenzende vermoeden hebt dat ze wel weer komen. En zo verliet ik dat huis, waar de verf overigens niet van de kozijnen bladdert, juist vanwege alle wederzijdse irritaties toch nog met een soort van nuttig gevoel.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen