Het Canadese kunstenaarsduo Janet Cardiff en George Bures Miller bij hun geluidskunstwerk in de Oude Kerk in Amsterdam

Foto Nick Somers

‘Je eigen verbeelding is de beste virtual reality die er is’

Interview

In de Oude Kerk in Amsterdam laat het Canadese kunstenaarsduo Janet Cardiff en George Bures Miller het publiek een eigen soundtrack creëren. „Geluid is een manier om de hoofden van mensen binnen te kruipen.”

Voorzichtig glijden je vingers over de toetsen van een piano die middenin de Amsterdamse Oude Kerk staat opgesteld. Bij iedere toets die je indrukt, weerklinkt een geluid door de immense ruimte. Een raaf vliegt met klapperende vleugels voorbij, in de verte blaft een hond. Meeuwen zweven luidkeels schreeuwend boven je hoofd, terwijl de wind suist om het gebouw en er onweer nadert. Je waant je in een huis aan zee, maar dan begint een vrouwenstem te vertellen over de donkere ruimte waar ze zich bevindt en dat ze zojuist het laatste beetje water heeft opgedronken. Aanzwellende violen creëren een gevoel van suspense. Een helikopter vliegt over. De droomwereld in je hoofd verandert binnen twee tellen in een apocalyptische rampenfilm.

Het is een wonderlijke, haast hallucinerende ervaring om hier achter de piano zelf een compositie te mogen maken die ook de andere bezoekers van de kerk te horen krijgen. Vijf minuten geleden liep je nog tussen de toeristen op de Wallen, nu is het alsof je in een parallel universum bent beland.

Wat geluid met je brein doen kan, dat weet het Canadese kunstenaarsduo Janet Cardiff en George Bures Miller als geen ander. Al meer dan twintig jaar maakt het echtpaar zinsbegoochelende geluidswerken die grote publieksfavorieten werden op bijvoorbeeld de Documenta in Kassel en de Biënnale van Venetië. Voor de Oude Kerk maakten ze een nieuw werk, gebaseerd op de techniek van de mellotron, een mechanische voorloper van de sampler. Iedere toets van het apparaat maakt een specifiek geluid: ‘nonnen’, of ‘boeggolf’, of ‘kerkkoor’. De 72 toetsen zijn verbonden aan 25 speakers die in en om de kerk hangen. Zo kan iedere bezoeker zijn eigen soundtrack creëren.

Kunstenaars Janet Cardiff en George Bures Miller bespelen samen hun mellotron in de Oude Kerk in Amsterdam Foto Nick Somers

„De techniek van de mellotron stamt al uit de jaren zestig”, vertelt George Bures Miller, terwijl hij in een dikke winterjas achter de piano zit. „De BBC gebruikte hem voor hoorspelen, en ook de Beatles experimenteerden ermee. Achter iedere toets zat destijds een taperecorder. Je kon er een heel orkest mee oproepen. Wij hebben een digitale replica gemaakt, die wordt aangestuurd door een computer.”

Het voordeel daarvan is dat je alle geluiden tegelijk kunt laten horen, vult partner Janet Cardiff aan. „Je zou moeten zien wat een indrukwekkend spinnenweb aan draden er in onze mellotron verstopt zit.”

De warme vrouwenstem die we zo nu en dan door de kerk horen, is van Cardiff. Zij schrijft de scripts, terwijl Miller zich richt op de technische uitvoering. „Het regende eindeloos veel in Canada toen ik dit verhaal bedacht”, vertelt Cardiff. „Indirect gaat dit kunstwerk over klimaatverandering. Ik vertel over een overstroomde stad en iemand die een kerk binnenvlucht.” Het zijn losse flarden van teksten, die de toehoorder zelf aan elkaar kan smeden. Cardiff: „Wij proberen beelden te genereren door geluid. Iedere bezoeker neemt zijn eigen geschiedenis mee, dus iedereen zal er in zijn hoofd zijn eigen film mee creëren.”

Ze beschikken thuis over hun eigen geluidenbibliotheek, vertelt het duo, met geluiden die ze overal ter wereld hebben opgenomen. Miller: „De kitten die je hoort, is onze eigen poes, die is inmiddels overleden.” De nonnen namen ze op in de Nepalese hoofdstad Kathmandu, waar ze in 2007 noodgedwongen een half jaar moesten wachten tot de adoptie van hun dochter Aradhana rond was. Er zitten vier soorten regen in dit kunstwerk verwerkt, vertellen ze. „En de wind hebben we van filmmaker David Lynch”, lacht Cardiff. „Die is gewoon commercieel te krijgen.”

Liefde voor film

Het was de liefde voor film die de kunststudenten Janet Cardiff en George Bures Miller in de vroege jaren tachtig bijeenbracht. Beiden studeerden aan de University of Alberta in Edmonton. Hij wilde filmmaker worden, zij hield zich bezig met fotografie en maakte zeefdrukken. Toen al was David Lynch hun favoriete regisseur. „Tijdens een van onze eerste dates zijn we naar Eraserhead gegaan”, herinnert Miller zich. „De manier waarop Lynch daarin met geluid werkt, is geweldig.”

Hun eigen werken hebben vaak dezelfde mysterieuze ondertoon als de films van Lynch, vol fragmentarische, niet afgeronde verhaallijnen, waardoor je nooit precies snapt waar ze over gaan. „We houden van dezelfde sfeer”, beaamt Cardiff. „Maar ik zou willen dat Lynch niet zo gewelddadig was”, zegt Miller. „Naar de nieuwe Twin Peaks kan ik haast niet kijken, zo heftig is die.”

Tijdens hun studietijd werkten de twee samen aan een paar super-8-films. Miller: „Maar we realiseerden ons al snel dat speelfilms maken heel veel werk was, en dat je door die grote producties zelf weinig controle hebt op het eindresultaat. Dus dachten we: er moet iets anders te bedenken zijn in dit genre.”

Jullie zijn bekend geworden met ‘audiowalks’, wandelingen waarbij de toeschouwer met een koptelefoon de straat op wordt gestuurd. Wanneer kwamen jullie op het idee dat wandelen ook een kunstvorm kon zijn?

Cardiff: „In 1991 deed ik een residency in het kunstcentrum van Banff. In hun bibliotheek ben ik onderzoek gaan doen naar kunstenaars die wandelden. Dat inspireerde me om naar buiten te gaan. Tijdens een van die wandelingen door de omgeving las ik de namen voor die ik op grafstenen zag staan. Per ongeluk drukte ik tijdens het opnemen op de verkeerde knop, en hoorde ik mezelf terug op de koptelefoon. Dat gaf zo’n rare sensatie, dat je iemand hoort vertellen wat je voor je ziet. Ik wist meteen dat ik iets unieks te pakken had. Niemand had dat eerder gedaan: soundtracks maken voor de fysieke omgeving. Vervolgens ben ik door het bos gaan wandelen en heb ik mijn eerste 4-sporenbandopnames gemaakt. Die eerste audiowalk, Forest Walk, hebben ze in Banff nog steeds in de collectie.”

Miller: „Er zijn waarschijnlijk maar zes mensen die dat werk destijds gehoord hebben. De meesten zagen er geen kunst in. Maar een van hen, Kitty Scott, was een jonge Canadese curator die later meewerkte aan de tentoonstelling Walking and Thinking and Walking in het Louisiana Museum in Denemarken. Zij nodigde Janet in 1996 uit om een nieuwe audiowalk te maken voor de museumtuinen. Kopenhagen was dat jaar de culturele hoofdstad, dus er kwamen veel mensen op af. Onder wie ook de bekende Duitse curator Kasper König. Hij stuurde de hele tijd publiek op ons af, omdat hij het werk zo goed vond. Wij hadden nog nooit van hem gehoord.”

Kasper König nodigde jullie vervolgens uit voor de Skulptur Projekte in Münster. Was dat jullie grote doorbraak?

Cardiff: „Ja, het grote succes kwam pas op mijn veertigste. Het was een kwestie van geluk, maar ik denk ook dat de tijd rijp was voor dat soort werk. König zag in dat geluidskunst ook een vorm van sculptuur kon zijn. Als we eerder dit soort geluidskunst hadden gemaakt, was het misschien niet zo aangeslagen. In de jaren negentig was realiteit versus fictie een belangrijk thema in de kunst: hoe kun je onderscheiden wat echt is en wat niet? Ook de Canadese kunstenaar Jeff Wall hield zich daarmee bezig. Onze kunst sloot aan bij de tijdgeest.”

Voor de Documenta maakten jullie in 2012 een ‘videowalk’ in het station van Kassel, waarbij toeschouwers niet alleen geluid hoorden op hun koptelefoon, maar tijdens het wandelen ook een video op een lcd-schermpje bekeken. Wat voegde die dimensie toe?

Cardiff: „In de videowalks mengt de echte straat zich met het filmpje op je iPod. Daardoor ontstaat er een derde wereld, die zich in je hoofd afspeelt. Je vergeet wat echt is en wat niet. De mensen op het scherm lijken echter dan de mensen om je heen.”

Miller: „Het is een simpele techniek die een zeer heftig effect heeft op je zintuigen. Mensen vergeleken het met een drugsroes.”

Hebben nieuwe technieken invloed op jullie werk? Virtual reality bijvoorbeeld is nu populair onder kunstenaars. Zijn jullie daarin geïnteresseerd?

Cardiff: „We hebben er wel mee geëxperimenteerd, maar het werkte niet voor ons. De kunstwerken die wij maken, spelen zich juist af in de verbeelding van de toeschouwer. En dat is de beste virtual reality die er is, toch? Die is helemaal gebaseerd op het talent van de kijker.”

Miller: „We hebben dit jaar voor het Nationale Museum van Osaka een werk gemaakt met een iPhone 8, die met locatiebepaling werkt: Osaka Symphony. Het geluid is daarbij afhankelijk van waar je staat. Dat is best ingewikkeld, qua techniek. Wat ik frustrerend vind aan veel nieuwe technologieën, is dat ze vaak crashen en niet doen wat jij wilt. Oldskool stuff werkt vaak gewoon beter.”

Er spreekt vaak een melancholisch gevoel uit jullie werk. Er komen oude draaimolens in voor, installaties bouwen jullie met vintage meubels en oude films noirs.

Miller: „Ja, we houden van nostalgie. Oude dingen triggeren herinneringen bij mensen. Daar maken we gebruik van. Het is een manier om de hoofden van mensen binnen te kruipen.”

Cardiff: „Ons werk gaat ook over het idee van herinneringen, en hoe je voortdurend je verleden verliest. Dat op zich is al een melancholische gedachte. Je kunt die scènes uit het verleden nooit helemaal terugkrijgen: het wandelen langs de rivier, vakanties aan zee. Maar met geluid lukt dat wel. Je ziet dat ook bij alzheimerpatiënten die weer helemaal tot leven komen als ze de muziek uit hun jeugd horen.”

Hebben jullie nooit aan geur gedacht? Dat kan ook herinneringen oproepen.

Miller: „Het is best moeilijk om geuren kunstmatig op te wekken. Voor onze bijdrage aan de Biënnale van Venetië in 2001 hebben we de geur van popcorn gebruikt. Daar hadden we een miniatuurbioscoop voor zestien mensen gebouwd, The Paradise Institute, waarin een zwart-witfilm werd gedraaid. Op hun koptelefoons hoorde het publiek het gekraak van popcorn. Door de ramen lieten we die geur het theater binnen. Mensen kwamen naar buiten en zeiden: ‘Dit was ongelofelijk echt, je kon het bijna ruiken.’”

Er stonden dat jaar lange rijen voor het Canadese paviljoen.

Miller: „We hadden echt onderschat hoeveel mensen de biënnale bezochten, het was de eerste keer dat we er waren.”

Cardiff: „Het is jammer dat daardoor niet iedereen ons werk kon zien. Anderzijds: naar schilderijen of foto’s kijken mensen vaak maar een paar seconden. Wij trekken misschien maar een kwart van het publiek, maar we hebben ze dan wel twintig minuten voor onszelf. Zo ontstaat er een veel intiemere relatie. Die individuele ervaring die wij het publiek geven, is de kracht van ons werk.”

    • Sandra Smallenburg