Opinie

    • Frits Abrahams

Er zijn geen gewone katten

Er zijn meer fotoboeken met schrijvers en hun katten, maar het recente boek Writers and their Cats van Alison Nastasi (uitgekomen bij Chronicle Books in San Francisco) hoort bij de beste. Het bevat een weelde aan hartveroverende foto’s en treffende, begeleidende teksten.

We zien Allen Ginsberg bukken met een siamees op zijn rug, Charles Bukowski als een brave bejaarde op de bank met een rossige kat die verlangend naar hem opkijkt, Edith Sitwell als oude vrouw innig en verstild met een kat op schoot (in zijn eenvoud misschien wel de mooiste foto), Ernest Hemingway die een kat bij zijn typemachine weghoudt, Hunter Thompson die een sigaar rookt naast een verbaasde kat, de Japanse schrijver Jiro Osaragi die acht katten tegelijk voedert, Mark Twain (ook met sigaar) die een angstig jong katje tegen zijn smetteloos witte kostuum laat leunen, Sylvia Plath die als klein meisje de cyperse kat omklemt die ze ‘Daddy’ noemde…

Zo zou ik nog wel even kunnen doorgaan, ware het niet dat nu mijn eigen kat, genaamd Anne, in een aangrenzende kamer om aandacht schreeuwt en er niemand anders thuis is om in deze behoefte te voorzien. Ik ben zo terug…

Waar was ik ook weer? O ja, ik had Truman Capote nog niet genoemd, hij staat met bril en cyperse kat glimlachend op het omslag; niet omdat het de beste foto is, maar omdat Capote kennelijk de meeste commerciële werfkracht heeft. Verbaasder was ik over de aanwezigheid van Bukowski, van wie ik vergeten was dat hij zo van katten hield. In My Cats dichtte hij over hen: when I am feeling/ low/ all I have to do is/ watch my cats/ and my/ courage/ returns.

Het troostende, opbeurende effect van katten waar Bukowski op doelt, kom ik in dit boek bij meer schrijvers tegen. „Ze werd de kat van mijn leven”, vertelt Gloria Steinem over haar kat Magritte, die bij bijeenkomsten met andere feministen urenlang naast haar op de leuning van haar stoel zat, altijd alert. „Magritte was mijn leraar als het aankwam op sterke wil en gezag.”

Ook Hemingway omringde zich graag met katten. „Een kat heeft onvoorwaardelijke emotionele eerlijkheid”, prees hij eens, „mensen kunnen om een of andere reden hun gevoelens verbergen, een kat niet.”

„Wat een luxe, zo’n kat”, zei Doris Lessing, „de momenten van hemeltergend en wonderbaarlijk plezier op een dag, het voelen van het dier, de zachte gladheid onder je hand, de warmte als je in een koude nacht wakker wordt, de gratie en charme zelfs bij een doorsneepoes.”

Je zou bijna vergeten dat ze ook erg lastig kunnen zijn. De Britse auteur Kazim Ali werd door zijn lievelingskat zo gehinderd bij het schrijven dat hij hem in een zak stopte die hij aan de achterkant van zijn stoel ophing. „Daar hing hij drie kwartier tamelijk comfortabel, zodat ik rustig kon tikken.”

Haruki Murakami, die graag katten beschrijft, herinnert zich hoe zijn kat tijdens het schrijven van zijn debuut een verwoesting aanrichtte in het manuscript op zijn bureau.

Ach, om het Edith Sitwell na te zeggen: „Er zijn geen gewone katten.” Ze zijn ook allemaal anders. Die van mij komt me nooit fysiek lastig vallen tijdens het werken, liever blijft ze op een afstandje luid mokken als ze zich alleen voelt, zoals nu weer. „Jaha…ik kom.”

    • Frits Abrahams