Vader én zoon Renoir waren allebei succesvol

Expositie Vader en zoon Auguste en Jean Renoir zijn een geluksgeval in de geschiedenis. De grote schilder bracht een groot filmmaker voort. Het Musée d’Orsay in Parijs wijdde aan hen een expositie.

Het filmen van de schommelscène in ‘Partie de campagne’ van Jean Renoir.

Zoons van grote vaders hebben geen eenvoudig lot. Uit de schaduw te stappen van een reus van een vader is voor weinigen weggelegd. Auguste en Jean Renoir lijken de uitzondering die de regel bevestigt. Auguste Renoir (1841-1919) behoorde tot de belangrijkste schilders van het impressionisme. Zijn zoon Jean Renoir (1894-1979) was misschien wel de grootste filmregisseur die Frankrijk heeft voortgebracht.

Maar achteraf is gemakkelijk uit het oog te verliezen dat de gevierde filmregisseur nog tot na zijn veertigste dreigde te eindigen zoals vele zoons van briljante vaders: als een wat sneue voetnoot in de biografie van pa. En dan was Jeans broer, Pierre Renoir, ook nog eens uitgegroeid tot een gevierd acteur, die wél een eigen plaats in de wereld wist te veroveren.

Dat was de tijd – in de jaren twintig en dertig – dat Jean Renoir er liever niet aan wilde herinneren dat hij afstamde van Auguste. Pas nadat hij eindelijk een eigen territorium had veroverd als filmmaker en alom erkenning kreeg voor meesterwerken als La grande illusion (1937) en La bête humaine (1938) volgde de publieke toenadering tot zijn vader, in de tweede helft van zijn leven.

Jean bezondigde zich niet aan vadermoord, kwam nooit in opstand. Maar de roem van de vader drukte toch op hem. De enige grote rol die Renoir zichzelf als acteur in een van zijn eigen films gaf, is veelzeggend. Renoir speelde de componist Octave in de beroemde zedenkomedie La règle du jeu (1939). Octave is een extraverte bon vivant, die nooit uit de schaduw van een vaderfiguur heeft weten te komen en heimelijk lijdt hij aan het gevoel te zijn mislukt.

„Ik had zo graag een verhouding met het publiek willen hebben”, bekent de mislukte componist neerslachtig tegen het einde van de film. Veelzeggend is ook dat Jean Renoir die publieke biecht pas durfde te doen nadat het grootste gevaar inmiddels was geweken, en hij alsnog roem en erkenning had gevonden, al was La règle du jeu – nu vaak gezien als de ‘Franse Citizen Kane’ – aanvankelijk een flop.

Rode lokken

Het Musée d’Orsay in Parijs heeft nu een grote tentoonstelling gewijd aan de intrigerende verhouding van vader en zoon: Renoir père et fils. Peinture et cinéma. Fragmenten uit de films van de zoon zijn te zien in dezelfde zalen als de schilderijen van de vader; een unieke, verrijkende ervaring. Het laatste belangrijke model van de vader, Catherine Hessling, was daarna de eerste vrouw van de zoon en ook de ster van zijn eerste films. Prachtig om Catherine nu te kunnen zien door de ogen van zowel Auguste als Jean; eerst als jong model en daarna als actrice.

Auguste Renoir: ‘Gabrielle et Jean’ (1895-1896), Musée de l’Orangerie, Parijs. Foto Hervé Lewandowski / RMN-GP

Jean heeft als kind voor zo’n zestig werken van zijn vader model gestaan. Hij had op jonge leeftijd weinig contact met zijn vader, maar hij moest wel opdraven als model voor soms urenlange sessies; geen gemakkelijk opgave voor een kind. Tot zijn zesde mocht Jean zijn lange, rode lokken niet afknippen van vader. Andere kinderen pestten hem daarmee, omdat hij op een meisje leek. Jean werd opgevoed door zijn moeder en zijn kindermeisje Gabrielle Renard: een tweede moeder voor Jean en een beroemd model voor Auguste.

De tentoonstelling in Musée D’Orsay begint met het moment waarop de zoon zijn vader het dichtst is genaderd in zijn werk: zijn onvoltooide, maar volmaakte korte film Partie de campagne (1936); veertig minuten puur filmgeluk. De film, naar een verhaal van Guy de Maupassant, gaat over een uitje van twee Parisiennes naar het platteland. Daar worden ze tijdens een boottochtje verleid door twee vissers. De compositie van de beelden, het natuurlijke licht, de lome, landelijke sfeer, de erotische lading, de bezielde natuurbeleving – nooit is Jean Renoir het werk van zijn vader in schilderijen zoals La Balançoire (1876) en La promenade (1870) dichter genaderd.

De tentoonstelling eindigt met de film die Renoir in India heeft gedraaid: The River uit 1951, zijn eerste kleurenfilm. Ook dat is een film die dicht bij de vader staat. Niet zozeer vanwege Renoirs kleurgebruik. Ook al weet hij het beste te halen uit het Technicolor-proces, dan nog kan hij niet tippen aan het palet van zijn vader. Jean Renoir richtte zich in latere kleurenfilms zoals French Cancan (1954) wijselijk meer op de affichekunst van schilder Toulouse-Lautrec dan op het werk van Auguste Renoir. Maar The River laat wel – net als Partie de campagne – de diepe overeenkomsten zien tussen de twee kunstenaars in hun naar mystiek neigende, alomvattende beleving van de wereld en de natuur, en van de mens in de natuur.

Dat harmonieuze beeld van zijn verhouding tot de kunst van zijn vader, was hoe Jean Renoir zichzelf het liefste zag. De tentoonstelling volgt hem daarin wellicht te slaafs. Renoirs biograaf Pascal Mérigeau is aanzienlijk sceptischer. In een venijnige bijdrage aan de catalogus van Renoir. Père et fils. Peinture et cinéma onderstreept hij vooral de verschillen tussen vader en zoon. Dat begint al met de onoverbrugbare verschillen tussen schilderkunst en film als kunstvormen. „Wie zoekt naar overeenkomsten, zal ze altijd vinden”, noteert Mérigeau onderkoeld.

Jean voerde een complexe dans van aanhalen en afstoten uit met de herinneringen aan zijn vader. Die dans was gecompliceerder dan de expositie laat zien. In Jean Renoirs grootste tijd – de jaren dertig – verwijderde hij zich juist meer van het werk van zijn vader. Hij bereikte zijn hoogtepunt als regisseur met geëngageerde, sociaal-kritische films, die ver af stonden van de a-politieke levenshouding van Auguste. De films die juist het meest direct door zijn vaderlijke erfgoed zijn geïnspireerd – zoals de late kleurenfilm Le dejeunér sur l’herbe (1959) – zijn ook niet altijd zijn beste, al zou de tentoonstelling die indruk kunnen wekken.

Jean Renoir was niet altijd de grote, nostalgische verzoener. Die rol nam hij pas op zich nadat hij zich in 1940 in Los Angeles had gevestigd en aan een ongelukkig avontuur in Hollywood was begonnen. In zijn vroege films uit de jaren twintig volgde hij de duistere avant-garde-experimenten van het expressionisme. Hij filmde eigentijdse verschijnselen als de zwaar opgemaakte vamp en de woeste dans de charleston. Dat stond allemaal ver af van zijn vader.

Maar om al die complicaties en spanningen met een mild en alomvattend gebaar te willen verdoezelen en verzoenen is wel geheel in de geest van beide Renoirs; kunstenaars die als weinig anderen een groot geluksgevoel in hun werk wisten te vangen.

Renoir. Père et fils. Peinture et cinéma.Expositie in Musée d’Orsay, Parijs, t/m 27/1. Inl: m.musee-orsay.fr

Correctie 4/12, 15 uur: in een eerdere versie van dit artikel werd als sterfjaar van Jean Renoir 1917 genoemd. Dit is aangepast naar 1979.

    • Peter de Bruijn