Opinie

    • Ellen Deckwitz

Pit

Dit weekend was ik met mijn zus en neefje (13) bij een rapconcert. Op de dansvloer ontstond de ene na de andere moshpit, u weet wel, zo’n plek waar concertgangers wild tegen elkaar aan dansen/beuken/springen. De beugelelastiekjes vlogen in het rond. Mijn neefje wiebelde onrustig heen en weer. Hij voelde de middelpuntvliedende kracht van de pit, maar bleef braaf bij zijn moeder staan, van wie hij niet mocht deelnemen aan zoiets wilds. Op een gegeven moment was hij zo verveeld dat hij maar cassis ging halen. Sip slofte hij weg.

„Laat hem toch meedoen”, zei ik tegen mijn zus. „Hij is twee koppen groter dan de gemiddelde jongen hier en ook nog eens stukken breder. Hem overkomt echt niets.”

„Dat is het punt niet”, zei ze. „Weet je nog hoe ik vroeger op feestjes was wanneer er gebeukt werd?”

Dan veranderde ze in een Hulk die iedereen bewusteloos probeerde te slaan.

„Ik wil hem tegen zichzelf beschermen”, mompelde ze.

„Maar hij is jou niet”, zei ik. „Er hoeft bij hem veel minder stoom te worden afgeblazen. Jij was op die leeftijd chronisch woedend, hij is relaxter dan een capibara.”

Aan haar blik zag ik dat ze het ongewenst met me eens was. Toen mijn neefje terugkwam met de frisdrank zei ze dat hij de pit in mocht. Na haar even argwanend te hebben aangestaard gooide hij zichzelf in de groep. Mijn zus kneep mijn hand fijn. Daar verdwenen zestig geliefde kilo’s in een kolkende menigte.

We zagen hem duwen, hij incasseerde wat stompen, viel een paar keer op de grond, werd door anderen overeind getrokken, hij had een grijns zo breed als Groenland.

Naast me was mijn zus luidruchtig aan het in- en uitpuffen, het soort ademhaling dat gewoonlijk alleen bij onverdoofde bevallingen wordt toegepast. De muziek werd wilder, het beuken heftiger, en toen kreeg mijn neefje opeens een elleboog vol in het gezicht. Hij tolde rond zijn as maar viel niet om. De jongen die aan de elleboog vastzat riep sorry, ze omhelsden elkaar en stuiterden gearmd verder. Ik hield wat vlugzout onder mijn zus’ neus.

De massa schreeuwde mee met de rappers dat hun eigen toekomst hun niet zoveel interesseerde. Mijn neefje straalde, zich geheel niet bewust van al het bloed dat uit zijn neus stroomde en zijn T-shirt doordrenkte. Hij was gebutst, hij hoorde erbij. Mijn zus zag bleker en bleker. Dit was dus loslaten. Hem onder het bloed te zien feestvieren, en dan te doen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz