Foto Merlijn Doomernik

‘Een mens is altijd meer dan het ergste wat hij gedaan heeft’

Straatpastor Folly Hemrica (61) werkte zeventien jaar als gevangenispredikant en vier jaar als straatpastor in Leiden. Onlangs nam ze afscheid. „Een straatpastor is niet zozeer een hulpverlener als wel een hoopverlener.”

Het gesprek met straatpastor Folly Hemrica (61) is op een zolderkamer van diaconaal centrum De Bakkerij, het trefpunt voor ex-gedetineerden, vluchtelingen, verslaafden en andere mensen in nood in hartje Leiden. Alleen daar kunnen we rustig praten, had ze aan de telefoon gezegd. In de daklozenopvang elders in de stad, waar ze vaak te vinden is, zou ze voortdurend aangesproken worden door cliënten.

Ze spreekt liefdevol over de mensen die ze helpt. Zoals de dronken man die laatst naar haar toekwam tijdens een kerkdienst voor dak- en thuislozen. „Hij vroeg of hij zijn handen even mocht warmen aan de mijne. Ik zei ‘Ja, dat mag, straks, want ik ben al begonnen met de dienst’. Hij ging zitten en ging vervolgens uitgebreid aan een andere kerkganger vragen hoe het met hem ging. Ik heb hem zijn gang laten gaan, het gaat er in die diensten niet zo strak aan toe. De mensen komen binnen wanneer en hoe ze willen. Soms in pyjama. Ik zie de kerk als een foerageerplek voor vogels op doortocht: dak- en thuislozen kunnen er even voelen dat ze aanvaard worden, dat mensen niet hun hoofd afwenden omdat ze dronken zijn of kwetsbaar. Hier worden ze met enthousiasme begroet. Worden ze even gezien in plaats van bekeken.”

Ik heb zestien jaar lang een kerstkaart gekregen van een tbs’er met talent voor trouw en vriendschap. Natuurlijk wist ik dat hij diepgestoord was, ik ben niet naïef

Hemrica, een van de ruim twintig straatpastores in Nederland, voert veel gesprekken in de daklozenopvang. Over rouw, verstoorde relaties, verslaving. Voor sommige dak- en thuislozen is het geloof belangrijk, voor anderen niet. „Een dakloze man vertelde me laatst dat hij vaak een kaarsje aansteekt voor een overleden vriendin. Hij gaat elke dag even in een kerk zitten om daar wat rust te vinden. Mensen ervaren in hun eenzaamheid God als een bondgenoot. Als pastor vraag ik dan bijvoorbeeld of God ook met hem meegaat als hij de straat weer opgaat. Die vraag ontroerde hem.”

Over iets heen stappen

De pastor, die wordt betaald door de oecumenische Stichting Straatpastoraat Leiden, gaat ook regelmatig mee naar een hulpverlenende instantie. „Onze cliënten zijn niet zo loketvaardig, zal ik maar zeggen. Bij het minste of geringste ontaardt een gesprek in een schreeuwpartij. Kort gezegd helpt een straatpastor mensen om het leven, dat soms zo ingewikkeld is, vol te houden.”

Voordat u straatpastor werd, was u jarenlang gevangenispredikant. U vertelde eens dat u dus wel het een en ander gewend was maar toch weer door wat grenzen heen moest. Wat bedoelt u daarmee?

„Heel concreet: gedetineerden moeten zich elke dag douchen, dak- en thuislozen niet. In het begin moest ik wel wat overwinnen om sterk verwaarloosde mensen een hand te geven. Grappig genoeg kreeg ik eens een flesje handgel van een dakloze. Je moet niet te tuttig zijn in dit vak, heb ik geleerd. Als je niet van daklozen houdt, moet je geen straatpastor worden. Soms moet je gewoon even over iets heen stappen. Als jonge gevangenispredikant kreeg ik eens te maken met een gedetineerde die er nogal eng uitzag. Ik was een beetje bang voor hem en ontweek hem. Totdat zijn moeder overleed en ik naar hem toe moest. Hij vertelde me toen hoe sterk zijn moeder was geweest en hoe geweldig ze voor haar gezin gezorgd had. Hij had haar beloofd niet meer in de gevangenis terecht te komen en vond het erg dat ze nu niet meer kon zien dat het hem menens was. Ik heb toen een arm om hem heen geslagen.”

Mensen aan de rand van de maatschappij horen vaak alleen maar wat ze fout doen

Is een pastoraal gesprek met een moordenaar anders dan met een dakloze?

„Veelplegers lijken op daklozen: het zijn mensen die in zichzelf verongelukt zijn. Maar een mens is altijd meer dan het ergste wat hij gedaan heeft. Ik sprak eens met een man die de minnaar van zijn vrouw had vermoord. Als je dan hoort dat die minnaar ervoor gezorgd had dat zijn bedrijf failliet ging, dan hoop je maar dat je zelf nooit in zo’n situatie terechtkomt. Ik kan me bij wraak altijd wel iets voorstellen. Natuurlijk is een moord nooit goed te praten, maar soms begrijp je waarom wanhopige mensen tot vreselijke dingen in staat zijn.

„ Ik heb veel gesproken over schuld. Het is wel voorgekomen dat mannen daar zozeer mee worstelden dat ze vroegen of ze niet bij mij mochten biechten. Ik denk dat wie werkelijk spijt heeft, mag rekenen op vergeving van de Eeuwige. Dan kan iemand soms weer verder met zijn leven.”

‘Was dan geen bajespredikant geworden’

Een straatpastor is altijd bezig met kwetsbare mensen, zegt ze. „Mensen die zo beschadigd zijn dat je heel veel moeite moet doen om hen te bereiken. Ze zijn wantrouwend, haken snel af. Je moet een hoge frustratiedrempel hebben. Soms is iemand met veel moeite aan een huis geholpen, maar dan weet hij door laaggeletterdheid niet dat hij een schuld heeft bij de Belastingdienst. Dan ben je vervolgens keihard bezig om hem via fondsenwerving toch zijn huis te laten behouden. Dat is wel eens pittig. Je moet altijd in gedachten houden voor wie je werkt.

Lees ook dit verhaal over de vrouwengevangenis: Als je voor iets leeft, is het binnen een hel

„In dat opzicht heb ik veel geleerd in mijn tijd als gevangenispredikant. Ik heb eens een heel aantal gesprekken gehad met een gedetineerde die steeds recidiveerde. Ik vond het frustrerend dat ik hem steeds terugzag. Die man heeft mij geleerd dat sommige levens zo in elkaar steken. Hij zei tegen me ‘Dominee, als u mij niet meer wilt zien, dan had u geen bajespredikant moeten worden’. Aan die woorden houd ik mij vast op momenten dat het even tegenzit.”

Een pastor is volgens haar niet zozeer een hulpverlener als wel een hoopverlener. „Je kunt iemand even ‘in het licht zetten’: aandacht geven, benoemen wat je aan goeds in hem ziet. Mensen aan de rand van de maatschappij horen vaak alleen maar wat ze fout doen. Als je eens aan hen vraagt hoe het gaat, bloeien ze op. Maar dat wil niet zeggen dat je hen daardoor meteen in succesvolle burgers kunt veranderen. Toch boek je wel degelijk resultaten. Ik heb de laatste vier jaar gezien dat een aantal mensen het dakloze bestaan achter zich heeft kunnen laten, dat relaties werden hersteld en dat mensen een nieuw netwerk opbouwden. Daar kun je als straatpastor aan bijdragen.”

U bent geboeid door mensen aan de rand van de maatschappij. Waarom?

„De combinatie van psychische kwetsbaarheid en talenten fascineert me. Er is zoveel talent onder hulpbehoevenden. Er zijn mensen die goed kunnen organiseren, creatievelingen, mensen die verbaal sterk zijn… De Franse beeldhouwster Louise Bourgeois heeft eens gezegd dat ze van ‘verbogen’ mensen houdt, mensen waar iets mee is, omdat die verhalen hebben. Zo is het. Mensen met een ‘knik’ hebben geleerd wat er wel of niet toe doet in het leven. De onzin in hen heeft plaatsgemaakt voor wijsheid: door het verlies van verslaafde vrienden bijvoorbeeld hebben ze geleerd dat onderlinge warmte en betrokkenheid essentieel is.

„ Ik heb zestien jaar lang een kerstkaart gekregen van een tbs’er met talent voor trouw en vriendschap. Bij zijn eerste verlof belde hij me en zijn we koffie gaan drinken. Op mijn verjaardag stuurde hij me Douwe Egberts-punten. Natuurlijk wist ik dat hij diepgestoord was, ik ben niet naïef. Maar hij was meer dan zijn diagnose.”

In 2010 ben u gestopt als gevangenispredikant en werd u kunstenaar. Wat bracht u tot dat besluit?

„Ik ben destijds gestopt als justitiepredikant omdat ik moe werd van alle verplichte verslaglegging: ik was elke dag wel een uur aan het schrijven om mijn werkzaamheden te verantwoorden. Zonde van de tijd, vond ik. Omdat ik behalve theoloog ook de Rietveldacademie heb gedaan, heb ik me toen vier jaar aan de kunst gewijd. Maar ik ging de mensen ‘aan de onderkant’ missen, dus toen ik werd gevraagd als straatpastor, heb ik ja gezegd. Kunst en pastoraat liggen minder ver uit elkaar dan je zou denken. Beide hebben te maken met gelaagdheid: je moet langer bij iets stilstaan voordat iets of iemand zijn geheim prijsgeeft.

Lees ook het interview met oud-strafrechter Rinus Otte: ‘Het strafrecht is niet bedoeld als maatschappelijk werk’

„Ik heb eens een schilderij gemaakt waar ik niet tevreden over was. Toen heb ik er heel radicaal een rood vlak aan toegevoegd. Een week later was het verkocht. Ik zie daarin een parallel met het gesprek dat ik voerde met een jonge gedetineerde die klaagde dat hij op zijn 22ste financieel binnen had willen zijn. Hij was al de vierde jongere in korte tijd met zo’n verhaal en ik flapte er, geheel tegen de regels van het pastorale handboek in, uit ‘Ik vind je eigenlijk een etterbak!’ We schrokken er allebei van. Die jongen ging daarna wel nadenken over zijn leven en stond daarna open voor meer gesprekken. Hij belde me na een jaar op dat hij werk had en dat hij dat aan onze gesprekken te danken had. Soms helpt het om een ongewone ingreep te doen.”

    • Friederike de Raat