Opinie

    • Matthieu Verhoeven

Het bestuur van de rechtspraak is niet serieus te nemen

De rechtspraak wordt bestuurd door ‘van de praktijk losgezongen types’. Dat moet veranderen. Rechter Matthieu Verhoeven vraagt of er de afgelopen zes jaar ‘iets wél gelukt is’? Over de onrust onder rechters, met oplossingen. In de Togacolumn

Begin november trok een groot aantal rechters openlijk aan de bel wegens ernstige problemen in de rechtspraak. Ik denk dat Franse boeren en Nederlandse rechters elkaars tegenpolen zijn op het gebied van openlijk protest. Hoewel de bezwaren bij sommigen overkwamen als geklaag van types uit de betere kringen dat ze het wat druk hadden, is er wel iets aan de hand als een doorgaans zwijgende groep zo naar buiten treedt.

Nieuwsuur had het over de rechtsstaat in zwaar weer. De geuite problemen liggen op het gebied van de bekostiging van de rechtspraak, de werkdruk en de manier waarop de rechtspraak wordt bestuurd. De eerste twee problemen hebben ruim aandacht gekregen, vandaar dat ik me nu richt op het derde probleem, dat niet voor de eerste keer aan de orde is gesteld zonder dat er iets is veranderd.

Herijken

En hoe reageerde de Raad voor de Rechtspraak en de door deze (her)benoemde presidenten? Zij willen de agenda, missie en visie van de Rechtspraak ‘herijken’… Wie zo reageert, kan niet verwachten serieus te worden genomen. Dit is te vergelijken met iemand die de brandweer belt dat zijn huis in brand staat en dan te horen krijgt: “Dit pakken we meteen stevig aan. We gaan een cursus zingeving organiseren.”

Het is mijn stellige overtuiging dat de kloof tussen bestuurders/managers enerzijds en onze organisatie anderzijds voor het grootste deel debet is aan de groeiende problemen in de rechtspraak. En helaas ook in aanpalende sectoren, zoals het Openbaar Ministerie.

De minister van Justitie benoemt de leden van de Raad voor de Rechtspraak en deze benoemen materieel de gerechtsbestuurders en bepalen of deze voor herbenoeming in aanmerking komen. Enige zeggenschap hebben de gerechten daarbij niet, al wordt pro forma een adviesrondje genomen.

Losgezongen

Met name sinds de Herziening Gerechtelijke Kaart worden wij bestuurd door een van de rechtspraktijk losgezongen gezelschap, de spaarzame uitzondering niet te na gesproken, dat van (altoos inspirerende en belangwekkende) vergadering naar bijeenkomst reist en de door hen bestuurden voornamelijk toespreekt met slogans waar een  reclamebureau zich voor zou schamen. Dat dat met name voor rechters, die bij de behandeling van hun zaken zijn getraind op het scheiden van feiten en humbug, nogal beledigend is, deert kennelijk niet. Ik zal niet de Bos-Balkenendetruc uithalen  (“noemt u eens drie voorbeelden, nou twee dan, nou eentje dan”), maar ben wel benieuwd naar een voorbeeld van een geslaagd project van enige omvang dat het resultaat is van die zes jaar belangwekkende en inspirerende bijeenkomsten. En een voorbeeld van een bestuurder die verantwoordelijkheid heeft genomen voor de deconfitures van de afgelopen periode en daar consequenties aan heeft verbonden.

Vergaderpersoneel

Tegen hard werken is geen bezwaar, integendeel, maar er is her en der sprake van een onverantwoord hoge werkdruk. En de manier waarop gerechten worden bekostigd is voor verbetering vatbaar. Maar daarbij speelt ook een rol dat het deel van de bekostiging dat niet is bestemd voor het primair proces ernstig wordt overschreden. Dat is een keuze, en niet eentje die door rechters en de andere werkenden in het primair proces wordt gemaakt. De hoeveelheid vergaderpersoneel is de afgelopen jaren enorm gestegen. Een inmiddels gepensioneerde collega drukte dat treffend uit: wat tien jaar geleden een taak was, is nu een functie geworden. En drie van die functies bij elkaar behoeven een teamvoorzitter en/of coördinator. Indien op dat gebied eens serieus zou worden bezien wat nodig is en wat niet, zou het met extra geld voor de rechtspraak nog wel eens mee kunnen vallen.

Afbrandtijd

Daarnaast dienen de gerechten een echte, zo niet doorslaggevende invloed te krijgen bij de benoemingen van hun bestuurders. Dat vermindert de totale afhankelijkheid van de huidige bestuurders van de Raad voor de Rechtspraak en vergroot hun betrokkenheid bij hun gerechten. Voor benoeming van uitsluitend ter plekke populaire jandoedels (m/v) hoeft niet te worden gevreesd: gerechten hebben geen enkel belang bij slechte bestuurders wier enige pré is dat zij aardig zijn.

Verder zou het heilzaam zijn als gerechtsbestuurders zouden worden verplicht om 50 procent, althans een betekenend deel van hun werktijd, in het primair proces bezig te zijn, zoals in een niet zo heel grijs verleden staande praktijk was. Dat mes snijdt aan twee kanten. De bestuurders ervaren aan den lijve wat er nodig is om het inhoudelijk werk goed te kunnen doen en merken zelf het effect van projecten, beleid en al dan niet uitblijvende maatregelen. Aan de andere kant is er dan veel minder tijd beschikbaar voor allerlei vergaderingen en bijeenkomsten zodat een behoorlijke keuze moet worden gemaakt tussen wat zinnig is en wat niet. Voor teamvoorzitters – een groep waar de doorloopsnelheid erg hoog is, of de afbrandtijd erg kort zo u wilt, omdat met de huidige wijze van bestuur niet of nauwelijks te werken is – geldt hetzelfde, met dien verstande dat de verhouding daar best tachtig inhoud en twintig management kan zijn.

Haperend

Dat het nu nog loopt, is vooral te danken aan de taakopvatting van veel rechters, juridisch medewerkers en administratie (die laatste twee vormen voor een belangrijk deel de ruggengraat van onze organisatie, dat wordt bij alle beleidsbepaling nog wel eens vergeten), die in een gemankeerde organisatie met vaak haperende middelen hun best doen de rechtzoekenden te geven waar zij recht op hebben. Al dan niet in hun eigen tijd.

De Nederlandse rechtspraak staat nog steeds hoog aangeschreven en het vertrouwen in de rechtspraak is hoog, maar de wagen kraakt in vele voegen. Daar moet echt iets aan worden gedaan, en bepaald niet in de sfeer van het herijken van missie en visie. Daarvoor is een goede rechtspraak veel te belangrijk.

De Togacolumn wordt geschreven door een advocaat, een officier en een rechter.

 

Blogger

Matthieu Verhoeven

Matthieu Verhoeven studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarna werkte hij ruim tien jaar als advocaat. Hij is sinds 1994 rechter, in diverse functies, van kantonrechter tot sectorvoorzitter, vooral werkzaam in de civiele sector van de rechtbank in Almelo. Op dit moment doet hij vooral insolventies (faillissementen en schuldsaneringen) en kort gedingen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Matthieu Verhoeven