Baanbrekend

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 8: over het geheime leven van vissen.

Op uitnodiging van de Universitas Indonesia bracht ik afgelopen lente een paar onbeschrijfelijke maanden door in het eilandenrijk; de fluisteringen van Nyai Loro Kidul, de beeldschone zeegodin, ’s avonds op een kustheuvel, zal ik nooit vergeten.

Op m’n vrije middagen dwaalde ik rond op de havenkades, waar ik samen met de plaatselijke hengelaars een gooi in het water deed. Daar ontdekte ik iets bizars: elke keer lag de halve kade bezaaid met piepkleine visjes. De een nog happend naar adem, de ander reeds gegrild door de zon. Visjes die door de Javanen te klein werden bevonden voor de rijsttafel en daarom maar als peukjes over de schouder werden geflikkerd.

Voor wie het nog niet wist: vissen zijn collectief de meest uitgebuite dieren op aarde. Ze worden massaal levend geplet in netten. Miljarden sterven dagelijks een marteldood in de koelruimen van kotters. Aan boord laten we ze doodnormaal stikken. De geur van genocide sijpelt door de ingewanden van alle vijf oceanen.

Maar heibel is er het minste over, ook niet bij de Dierenpartij; die heeft meer oog voor kippen, varkens en kalveren.

Waarom kent de mens zo weinig empathie voor de vis? Staat het waterdier te veraf voor onze compassie? Te koudbloedig? Is het die monotone, emotieloze expressie van de vissenkop? Die gekke vinnen?

Een kat kun je aaien. Een kat geeft kopjes en spint zo lekker op je schoot. Met een hond kan je ravotten, je laat hem uit, en wanneer je thuiskomt, bespringt-ie je kwispelend. Een konijn, een paard, en zelfs een ratje is knuffelbaar.

Maar een vis?

Ik noem niet snel een boek baanbrekend. Dat doe ik echter wel bij Het geheime leven van vissen van Jonathan Balcombe. Een klap in het gezicht voor elke visser. En tegelijkertijd een radicale openbaring. Een vakkundig onderbouwd boek dat de beschaving een stap dichterbij brengt. Een boek dat voor het eerst niet óver vissen schrijft maar namens vissen.

Want wie dacht dat vissen geen blijdschap kennen, geen pijn voelen, geen verdriet ervaren, geen herinneringen hebben, geen gezichten onthouden, niet kunnen rouwen, geen vriendschap onderhouden, geen gevoel voor esthetiek bezitten, neemt dit boek ter hand en hij zal schrikken. Dat wij vissen niet snappen, zegt alles over ons gebrek en niets over vissen.

Elke revolutie begint met taal. Balcombe spreekt daarom niet meer van ‘vis’ maar van ‘vissen’, omdat het individuen zijn met eigenzinnige karakters en relaties. Hij weigert te spreken over ‘visstand’ omdat dit de vis automatisch tot een product reduceert. Hij leert ons dat een term als ‘overbevissing’ bevissing legitimeert. Dit allemaal is nieuw. Oorspronkelijk. Intelligent.

Halverwege leg ik het boek weg. Voel me als een vis op de Javaanse kade. Happend naar adem. Overvallen door een lawine van schaamte over elke door mij gehaakte baars en voorn. Zelfs mijn goedbedoelde kus voelt niet meer als een goed excuus.

    • Mohammed Benzakour