Helm op, toque aan, en vol op de bal af

Strafcornerverdediging De Nederlandse hockeyers spelen woensdag (12.30 uur) hun tweede groepsduel op het WK in India. Tegen aartsrivaal Duitsland kan de strafcornerverdediging weleens doorslaggevend zijn.

Doelman Pirmin Blaak probeert met Hidde Turkstra een strafcorner te verdedigen tijdens de finaleronde van de Hockey World League in India tegen Argentinië (eind 2017). Foto Koen Suyk/ANP

Dat de strafcorner in het hockey een belangrijke rol speelt, is bekend. De Nederlandse mannen hebben hun drie wereldtitels grotendeels te danken aan de korte hoekslag. Na Ties Kruize, Floris Jan Bovelander en Bram Lomans heeft Oranje met Mink van der Weerden tijdens het WK in India opnieuw een topschutter. Maar een strafcornerkanon alleen is niet meer voldoende om een WK te winnen, de cornerverdediging is minstens zo belangrijk. Met een hoofdrol voor keeper en uitloper, rollen die bij Nederland worden vervuld door Pirmin Blaak (30) en Sander de Wijn (28). Wat komt er kijken bij een ‘corner tegen’?

De voorbereiding

Keeper Pirmin Blaak: „De laatste dertig, veertig strafcorners van de tegenstander bekijk ik in de dagen voor een wedstrijd op mijn laptop. Tot drie, vier jaar terug hield ik rekening met inlopende spelers en zo, maar mijn taak is de directe bal eruit houden. Ik let nu alleen nog op de sleper: welke beweging hij maakt, wat z’n favoriete hoeken zijn, waar hij pusht bij een gelijke stand in de laatste minuut. Het is informatie die ik mijn achterhoofd houd, het bepaalt niet wat ik in de wedstrijd doe.”

Uitloper Sander de Wijn: „Ook ik kijk naar de beweging van de pusher, maar ook of hij vaste stoppers heeft of niet. Als-ie negen van de tien keer met dezelfde stopper werkt, of vrijwel altijd vanaf het eerste koppel pusht [zie afbeelding], houd ik daar rekening mee. Maar ik kijk misschien nog wel meer naar de aangever. Die speelt vaak met zijn ritme; één keer kijken, twee keer kijken zodat je geen patroon kunt ontdekken. Doe ik zelf ook als aangever. Maar je weet ook: veel aangevers hebben een specifieke lichaamsinzet. Als ik die weet, kan ik op tijd starten. Je hoeft als uitloper niet de snelste te zijn, het gaat om timing.”

Blaak: „Sander Baart, die op de lijn staat, kijkt met ons mee. Samen proberen we patronen te ontdekken en als we op één lijn zitten, maken we een plan. Dat presenteer ik aan het team, waarbij ik vier, vijf strafcorners laat zien, niet meer.”

De strafcorner is gegeven

De Wijn: „Als ik in de buurt van de overtreding sta en ik mijn twijfels heb of het een corner is, is er eerst overleg of we een video zullen aanvragen. Maar was het shoot [bal op de voet] of bolle kant, dan ren ik meteen achter de goal naar de bak waarin onze spullen liggen. Mijn kniebeschermers doe ik als eerste om, dan de toque. We hebben 45 seconden om klaar te gaan staan, dat is relatief weinig. Onderweg naar het doel trek ik mijn handschoen aan en zet ik mijn helm op. Bij het doel bespreken we wat we gaan doen. De keeper bepaalt.”

Blaak: „Ik ben niet meer bezig met de beslissing. Ik buig een keer voorover om mijn rug los te maken. Dan kijk ik hoe de tegenstander gaat klaarstaan. Tegen mijn medespelers zeg ik niets tot ze hun spullen aan hebben. We kunnen nog wel eens afwijken van ons plan, bijvoorbeeld als de vaste sleper niet in het veld staat. Dan kan ik ervoor kiezen om de uitloper niet vol te laten gaan, omdat ik een variant verwacht. Zo kun je daar mee spelen.”

De Wijn: „De verdediger in de rechterzone blijft voor de lijn staan totdat ik als loper goed sta. Die paar seconden geven mij ook de tijd om de opstelling op de kop van de cirkel te scannen. Mijn rechtervoet zet ik ongeveer een halve meter achter de doellijn tegen de voet van de lijnstopper aan. Ik leun een beetje op mijn stick, die ik in mijn rechterhand heb. Mijn linkerhand houd ik voor de lijn, mijn zwaartepunt ligt iets verder naar voren. Daardoor ben ik voor mijn gevoel sneller weg. Terwijl ik om de paal heen naar de aangever kijk, luister ik of de lijnstopper een laatste aanwijzing heeft – hij laat het mij weten als er op de kop van de cirkel nog iets verandert.”

Lees ook dit interview met bondscoach Max Caldas: ‘Hier zijn mijn schouders, het komt wel goed’

De strafcorner wordt genomen

Blaak: „Mijn handen houd ik eerst hoog boven de schouder. Zo lijkt de goal vanaf kop cirkel optisch gevuld. Daarna breng ik ze in de basispositie, net onder de schouder. Zo kan ik het snelst reageren. Ik probeer een ontspannen houding aan te nemen en kijk bewust niet naar de aangever. Ik zet pas een stap naar voren als ik de bal in mijn ooghoek zie verschijnen. Als ik te vroeg ben, kan ik gaan inzakken en dan kom ik niet meer weg. Ik moet zo kort mogelijk spanning hebben, om me goed te kunnen strekken vanuit de heup, dan ben ik op mijn sterkst.”

De Wijn: „Na twee stappen kijk ik op. Mijn linkerhand komt erbij ter hoogte van de strafbalstip, dan heb ik mijn stick met twee handen vast. Ik loop over de strafbalstip, soms zelfs iets rechts ervan, afhankelijk van waar de sleper staat op kop cirkel. Op het moment van pushen houd ik iets in, waardoor mijn voeten aan de grond blijven en de bal niet onder mij door kan worden gespeeld. Ik heb mijn stick voor mijn lichaam en blijf continu naar de bal kijken. Als er twee koppels op kop cirkel staan, richt ik me vaak iets meer op de vaste sleper. Het wordt pas moeilijk als ze twee goede pushers ver uit elkaar hebben staan. Maar ik ben ook goed in afbuigen.”

Tekst loopt door onder de foto

Oranje verdedigt een corner op het WK in 2014. Foto Bas Czerwinski/ANP

Blaak: „Het uitlopen is de laatste jaren enorm veranderd. Sander loopt mijn linkerhoek dicht, waardoor ik ook minder zicht heb. Maar hij pakt percentueel zoveel ballen dat dat opweegt tegen het nadeel. In mijn zone kan ik 80 procent van de ballen pakken en die moet ik ook gewoon hebben. Puur op de reflex. Ik ben een van de sterkste keepers op stickkant laag, maar dat is ook mijn valkuil geworden. Veel slepers pushen niet meer volledig in de hoek, maar iets meer binnendoor. Dat is een moeilijkere bal, waar ik veel op heb getraind. Het allermoeilijkst is trouwens een hard gepushte bal rechtdoor, tussen mijn benen. Het is heel moeilijk om dan nog een voet erbij te trekken. Zeker met mijn voeten, ik heb maat vijftig.”

De Wijn: „Ik ben een suicide runner die in de baan van het schot loopt, de keeper moet erop kunnen vertrouwen dat de bal niet in mijn hoek gaat. Maar ik ben vooral een uitloper die een goed gevoel heeft voor timing, en heel goed kijkt en anticipeert. Als ik een bal eruit loop met mijn voet en dus weer een corner tegen krijg. zie ik dat toch als winst. Die hoek zit goed dicht, denk ik dan. Terwijl de sleper juist denkt: ik heb ’m geraakt, de volgende keer is hij vast voorzichtiger. Het is een psychologisch spelletje.”

Blaak: „Sander is niet bang, hij durft geraakt te worden. Veel uitlopers springen toch nog weg.”

De Wijn: „Als ze een variatie spelen, gooi ik me er ook voor met alles wat ik heb. In principe kan ik alleen geraakt worden van mijn knieën tot mijn voeten, omdat ik dicht op de bal kom. Ik heb het veiligste gevoel bij uitlopen, voor geen goud zou ik op de lijn durven gaan staan.”

    • Rogier van 't Hek