Opinie

    • Menno Tamminga

Gaan centrale banken verliezen van politici?

Het is vrij schieten op de ‘geldelite’. Commerciële banken zijn sinds de kredietcrisis al tien jaar een gemakkelijk, soms ook begrijpelijk doelwit. Die beloningsdrift. Hun schandalen, van rentemanipulatie tot witwastransacties. De scheve verhouding tussen de risico’s en hun vermogen verliezen zelf op te vangen.

Maar nu klagen politici ook over andere geldmannen (m/v): de centrale banken. De Amerikaanse president Donald Trump ‘recenseerde’ vorige week voorzitter Jay Powell van de Federal Reserve. Trump heeft Powell zelf benoemd. Diens voorganger, Janet Yellen, een benoeming van politiek tegenstander Barack Obama, kon na één termijn inpakken. Trump over Powell, die viermaal de rente verhoogde:„Ik ben nog niet eens een béétje blij met mijn keuze voor Jay.” Eerder noemde Trump het beleid van Powell geschift.

Lees ook deze analyse over de ECB: Zo verrees het machtigste instituut van Europa

Nog botter? In Londen kwalificeerde Jacob Rees-Mogg, Conservatief Lagerhuislid en prominent Brexiteer, de president van de Bank of England als een „tweederangs Canadese politicus” die daar niet aan de bak kwam en nu in Engeland een baan heeft. De aanleiding was een rampzalige prognose van president Mark Carney voor de Britse economie na de uittreding uit de Europese Unie. De Conservatieve politicus voegde daar, terecht, aan toe: „Hij zit niet op die stoel om paniek te zaaien.”

Carney leidde vóór Londen de Canadese centrale bank.

De voorbeelden kunnen aangevuld worden met andere, zoals Turkije (Erdogan versus een renteverhoging) en Italiaanse politici versus de Europese Centrale Bank.

De politieke aanvallen hebben een onverbiddelijke logica. In het laatste kwart van de 20ste eeuw werden steeds meer centrale banken onafhankelijk ten opzichte van het politieke bestuur. Dat was een politieke keuze. Als onafhankelijke ‘geldhoeders’ kregen zij voor elkaar wat politici maar niet lukte: de galopperende inflatie beteugelen.

Op basis van hun heldenrol als inflatiestrijders hebben centrale banken een hoofdrol gekregen én genomen in het economisch beleid. Ze deden op voet van gelijkheid met gekozen politici mee met het redden van banken in 2008. Daarbij hebben ze politici soms zelfs overvleugeld, zoals ECB-voorzitter Mario Draghi die in 2012 de eurozone redde. Ze hebben voor duizelingwekkende bedragen obligaties opgekocht zonder het doel, namelijk een stabiel hogere inflatie, te bereiken.

Huizenbezitters en spaarders voelen beleid van centrale banken meer dan cao-resultaten

Ze bedrijven met hun maatregelen meer dan ooit politiek. Wijzigingen in de rente zien spaarders, gepensioneerden, huizenbezitters en schuldenaren misschien wel concreter in hun portemonnee dan cao-onderhandelingen of pensioenakkoorden. Centralebankpresidenten als Draghi en Powell geven tekst en uitleg aan de volksvertegenwoordiging, maar ze accepteren geen opdrachten van de meerderheid, zoals ministers dat op straffe van een politieke crisis wel moeten doen. Om het credo van onafhankelijkheid van de eerste ECB-president, Wim Duisenberg (1935-2005), te citeren: centrale banken zijn als slagroom. „Hoe harder je klopt, des te stijver wordt de room” – in casu hun standpunt.

Het Britse weekblad The Economist vroeg zich onlangs af of een politiek debat over de rol van centrale banken niet dringend nodig is. In de kritiek van Trump en anderen op het onafhankelijke beleid van centrale banken klinkt de belofte ‘morgen gratis bier’ door. Lage rente, altijd lekker. Maar nadenken over meer rechtstreekse politieke bemoeienis met ons geld is de moeite waard. Het geeft de kiezer wat meer invloed. Bovendien kan ook voor centrale banken gelden: resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.
    • Menno Tamminga