Brieven

Brieven

Onder de deprimerende titel In idealen kun je niet wonen (29/11), herdenkt redacteur Bernard Hulsman het vijftigjarige bestaan van de Amsterdamse woonwijk Bijlmermeer. Deprimerend, omdat Hulsman zich vrijwel uitsluitend bezighoudt met de stedenbouwkundige en architectonische missers in de dure opzet van in honingraten gecomponeerde hoogbouw. Die zijn er en ik weet er nog wel meer.

Hij heeft het jammer genoeg weinig over de idealen die ten grondslag lagen aan het ontwerp van de Bijlmermeer. Zeker, Le Corbusier, Cornelis van Eesteren en Jacoba Mulder worden achteloos genoemd, maar nergens wordt duidelijk gemaakt dat het functionele bouwen waarvan de genoemden vertegenwoordigers waren, meer was dan stedenbouwkunde en architectuur. Van Eesteren c.s. waren in het interbellum in Amsterdam de pleitbezorgers voor kwalitatief superieure volkshuisvesting, gekenmerkt door ‘licht’ en ‘lucht’, zoals even eerder de architecten van de Amsterdamse School dat op een andere manier ook nastreefden. Uiteraard, dat streven was er wereldwijd; het manifesteert zich bijvoorbeeld in de vroeg-20ste-eeuwse Weense woonhoven, de naoorlogse industriële woningbouw in Midden- en Oost-Europa, tot de krakkemikkige flatgebouwen die vooral in de jaren zestig en zeventig in het arme Hanoi zijn gebouwd. Ik liet in de jaren negentig een Vietnamese architect die een vooraanstaande rol had gespeeld in het socialistische huisvestingsprogramma van Hanoi de Amsterdamse stedenbouw zien. Hij veerde op bij het zien van de Bijlmermeer, kende de wijk uit de vakliteratuur en wist hem te waarderen als belangrijke fase in de volkswoningbouw: een huisvestingsideaal waarin het goed wonen was. (Daarna zag hij de Oostelijke eilanden, zoals het KNSM-eiland. Vrij vertaald was zijn commentaar: postmodern geneuzel.) Terecht keek hij in de Bijlmermeer verder dan naar architectuur en stedenbouw alleen.

    • Hans Schenk