Mens leefde al vroeg in ijle lucht Tibet

Archeologie

Al minstens 30.000 jaar geleden betrok de mens het Tibetaanse Hoogland. Hij maakte er leisteenmessen, voor de jacht.

Een klein deel van de stenen werktuigen, gevonden op 4.600 meter hoogte. Foto Xing Gao

Op 4.600 meter boven zeeniveau, op de Tibetaanse hoogvlakte, zijn duizenden resten van stenen werktuigen van dertig- tot veertigduizend jaar oud gevonden. De meeste lagen op anderhalve meter diepte. Het is een unieke vondst, daar in de Nwya Devo-opgravingssite, 300 km ten noordwesten van het Tibetaanse Lhasa. Niet eerder zijn zulke oude bewijzen van menselijke aanwezigheid op zulke grote hoogte gevonden. Het is er niet alleen permanent koud, belangrijker is het lage zuurstofgehalte van de atmosfeer. Dat is slechts de helft van het gehalte op zeeniveau. Een team van Chinese archeologen, waarin ook twee Amerikanen, heeft de vondst donderdag bekend gemaakt in Science.

Tot nu toe waren de oudste vondsten in Tibet niet ouder dan 15.000 jaar en lagen nooit hoger dan 3.500 meter (min of meer de grens waarbij mensen last krijgen van hoogteziekte). Deze vindplaats van bewerkte zwarte leistenen is gedateerd met in totaal 24 luminiscentie-metingen (en ter controle nog drie C14-dateringen van schelpen in dezelfde lagen).

In Nwya Devo, genoemd naar een nabije ‘kalfvormige berg’, was indertijd een tijdelijke werkplaats gevestigd. De leisteen, die de onderzoekers 800 meter verderop vonden, werd er bewerkt op een geavanceerde manier die alleen bekend is uit toenmalige culturen van moderne mensen. Sommige afslagen vormden scherpe messen van 20 cm lang. De wapens zullen gebruikt zijn bij de jacht op gazellen, paarden en yaks die elders op het Tibetaanse Hoogland leefden.

Dat mensen in deze tijd al in staat waren om extreme omstandigheden te doorstaan was al wel bekend van vondsten binnen de poolcirkel, maar dat ze ook in zo’n zuurstofarme omgeving konden functioneren verrast wel. De oplossing voor dat raadsel zoeken de onderzoekers in een opmerkelijk verband met een ándere mensachtige die in deze tijd waarschijnlijk ook in Centraal-Azië leefde. Het gaat om de neanderthalachtige denisoviërs, waarvan slecht een paar botten zijn teruggevonden, maar van wie wel het hele genoom is gereconstrueerd. Deze denisoviërs hadden, net als de neanderthalers, seks met moderne mensen, Homo sapiens. Mensen uit Oceanië hebben nog altijd 3 tot 6 procent denisova-DNA in hun genoom.

Ook moderne Tibetanen hebben in hun DNA denisova-sporen. Ze zijn drager van een variant van het gen EPAS1, dat hen helpt bij het leven op ijle hoogten. Die variant danken ze aan de denisoviërs. Die leefden kennelijk óók vaak op grote hoogten. Vanwege de aard van de werktuigen denken de onderzoekers niet dat ze nu denisova-messen hebben gevonden, maar wel dat de makers denisova-voorouders hadden. Ze houden zelfs voor mogelijk dat ze hier een deel van de bevolking hebben gezien die verder naar het zuiden zal trekken om later Oceanië te bevolken. Dat de messenmakers uit het noorden kwamen lijkt waarschijnlijk omdat in een grot bij Peking, 2.500 km verder naar het noordoosten, ook al resten van Homo sapiens van 40.000 jaar oud zijn gevonden.

    • Hendrik Spiering