Aardedonker? De straatlantaarns brandden al in 1663

Eens was het aardedonker in onze stad, volgens het artikel over het Amsterdam Light Festival (24 november), maar in 1886 kwamen er gaslantaarns en in 1917 ging Amsterdam over op elektrisch licht. Daarmee wordt de geschiedenis van de openbare verlichting in Amsterdam tekort gedaan, want die voert terug tot 1663. In dat jaar ontwierp Jan van der Heijden een houten paal met lantaarn en olielamp. In 1669 was de hele stad ermee voorzien.

Die lantaarn heeft het een kleine anderhalve eeuw volgehouden. De stad had de openbare verlichting in eigen beheer, maar verleende daar in 1809 een concessie voor aan F.L. Behr. Die verving de houten palen door gietijzeren palen met lantaarns met reflectoren, de réverbères.

De gemeenteraad besloot in 1845 om de 1.673 bestaande olielichten te vervangen door 1.700 gaslantaarns en verleende daarvoor een concessie aan de Amsterdamsche Pijp Gas Compagnie. De oudste generatie gaslantaarns werd geleidelijk vervangen door het zogenaamde model 1883, dat nog steeds volop in het straatbeeld terug te vinden is. Door conflicten tussen gemeente en APGC over de lichtsterkte en zuiverheid van het geleverde gas besloot de gemeenteraad in 1898 tot ‘naasting’ van de gasfabrieken. Met het afkopen van de concessie was het voor die tijd formidabele bedrag van 16 miljoen gulden gemoeid.

In 1904 vond op het Stationsplein de eerste proef met elektriciteit als verlichtingsmiddel plaats. Het elektrificeren van de ruim 10.000 gaslantaarns, versneld door een gebrek aan gaskolen in de Eerste Wereldoorlog, nam in 1917 een aanvang en was in 1923 voltooid. De gaslantaarns werden omgebouwd door de ronde beglazing weg te nemen en een gloeilamp onder de kap aan te brengen.

Naschrift Kester Freriks: U wordt op uw wenken bediend: langs de lichtroute komen borden met stadsverhalen. Die over straatverlichting geeft qua inhoud precies uw brief weer, geschreven door kunsthistoricus Koen Kleijn. Daarin wordt ook de kaarsverlichting genoemd.

    • Herman Wals