Zijn Sint en Piet beïnvloed door black-face-optredens?

Alledaagese wetenschap Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: waarom ging Zwarte Piet van assistent tot knecht?

Foto SGKJ

Zou het dan toch zo kunnen zijn dat de Zwarte Piet waarmee Nederland rond 1850 te maken kreeg alleen maar aan Sint Nicolaas werd toegevoegd om ons over ‘domme negers’ vrolijk te kunnen maken? Vorige week trok historica Elisabeth Koning de aandacht met een artikel dat tot deze conclusie kwam. ’t Stuk in het Tijdschrift voor Geschiedenis was eigenlijk een roep om meer onderzoek, en behandelde eigenlijk de ontwikkeling van Zwarte Piet in de negen decennia ná 1850, maar en passant werd toch ook alvast een oordeel geveld over de bedenker van Zwarte Piet: Jan Schenkman. Academici hadden terecht beweerd dat Schenkman mogelijk onzuivere motieven had gehad, stond er, als je het goed las.

Formeel is Konings stelling dat de ontwikkeling van Zwarte Piet tussen 1850 en 1940 onder ongunstige invloed heeft gestaan van blackface-optredens (in Nederland) sinds 1847 én van een toneelbewerking van het beroemde Uncle Tom’s Cabin die sinds 1853 volle zalen trok. Zowel in de blackface-optredens als in het Tom-toneelstuk werd meer of minder de spot gedreven met zwarte mensen. (In blackface-optredens speelden zingende en dansende blanke mannen met zwartgemaakte gezichten en deftige kleren ‘oerdomme negers’.)

Jan Schenkman was de Amsterdamse onderwijzer die in 1850 het boekjeSint Nikolaas en zijn knecht schreef. Het bevatte zestien versjes met plaatjes. Je zag er de Sint in allerlei klassieke rollen, maar je zag hem ook op een raderboot, onder een luchtballon en in een kantoor. Op elf plaatjes werd de bisschop begeleid door een donkere knecht.

Waarom Schenkman deed wat hij deed is nog steeds een raadsel. Het idee om Sint Nicolaas een knecht te geven was misschien gepikt van onderwijzer George d’Ancona (die had de Sint in een St. Nicolaas-almanak al in 1842 een kantoor gegeven) maar waarom die knecht zwart moest zijn weet niemand. Of Schenkman zelf het initiatief nam of de illustrator of uitgever G. Theod. Bom: we weten het niet. Bom stopte tussen 1845 en 1860 geregeld een zwarte in zijn kinderboekjes, vooral in ABC-boekjes, maar nooit kreeg die een gunstige beschrijving.

Nergens heeft de donkere assistent een minderwaardige rol, nergens wordt de draak met hem gestoken

Wie onderzoeken wil wat Schenkman bewogen kan hebben, moet weten dat er van zijn boekje rond 1850 kort na elkaar tweeversies zijn uitgebracht. Pas in de tweede versie, waarvoor een bekwame illustrator was aangetrokken, draagt de knecht de maillot, het pofbroekje, de plooikraag en de muts-met-veer die later zo bekend werden. Kunsthistorica Eugenie Boer-Dirks zag er een page-kostuum in en heeft eruit afgeleid dat Schenkmans knecht gezien moest worden als het soort ‘moortje’ dat wel vaker als statussymbool op schilderijen figureerde. Au fond: een slaaf. Of illustrator-2 het echt zo bedoeld heeft of eerder een kermisklant of operafiguur uitbeeldde is onbekend.

Feit is dat de minder begaafde illustrator-1 zijn zwarte knecht juist een heel eenvoudig kostuum aantrok en de donkere jongen eerder als assistent dan als knecht weergaf. We zien hem gevaarlijk stunten met een paard en hij ligt opvallend relaxed in het schuitje van de luchtballon waarmee de Sint terugzweeft naar Spanje. Nergens heeft hij een minderwaardige rol, nergens wordt de draak met hem gestoken. Let wel: de oerknecht is niet afgebeeld als een witte jongen met een zwart gemaakt gezicht, maar gewoon als zwarte. Hij zingt niet en danst niet. Het is lastig om hier de invloed van blackface-optredens aan te wijzen. (Overigens kende Schenkman die optredens zeker, althans in 1854. Hij beschrijft ze in de eerste van zijn beruchte Zadok-brieven. )

We houden het erop dat de blackfaces geen invloed hebben gehad op de verschijningsvorm van de eerste Zwarte Piet. En het Tom-toneelstuk kón helemaal geen invloed uitoefenen. Dat er later onder invloed van de twee toch van alles veranderde aan Zwarte Piet valt natuurlijk niet uit te sluiten.

Maar de vele Sinterklaasboekjes die na 1850 verschenen kenmerken zich door een mysterieuze constantheid: Zwarte Piet behoudt, een uitzondering daargelaten, steeds zijn pagepakje, alsof het ook een kerkelijk gewaad is. En dat pakje lijkt absoluut niet op de kostuums uit de blackface-optredens. Wel krijgt de knecht later hier en daar een onprettig Sjimmie-uiterlijk maar of dit aan Konings twee ‘invloeden’ valt toe te schrijven moet nog worden bewezen.

Is dan misschien het fysieke optreden van de Sint en zijn knecht zwaar beïnvloed door de blackfaces? Het is mogelijk, maar over de eerste decennia na 1850 zijn we slecht geïnformeerd. Kranten en tijdschriften (www.delpher.nl) vermelden maar enkele geïsoleerde huiskameroptredens van het koppel. Een secure beschrijving van de knecht ontbreekt. Publieke optredens kwamen er, voor zover valt na te gaan, in Amsterdam pas in 1871 en de jaren daarna toen in het Paleis voor Volksvlijt reusachtige Sinterklaasfeesten voor arme kinderen werden georganiseerd. De Sint verscheen er met een ‘zwart gevolg’ (1871) en ‘een hofstoet van zwarte knechts’ (1872). In 1873 waren er maar twee zwarte knechts, maar wel vier Chinezen, andere bedienden en een olifant. Je zou zeggen dat het onderzoek waarom Koning vraagt hier zou kunnen beginnen.

    • Karel Knip