Recensie

Voor Himmlers zetbaas was de Holocaust morele plicht

Hanns Albin Rauter

De SS’er Rauter (1895-1949) was een van de hoofdverantwoordelijken voor de naziterreur in Nederland. Nu is er een voorbeeldige biografie over hem verschenen.

Hanns Albin Rauter (links) in Weert, met rechts van hem Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart en achter het spreekgestoelte NSB-leider Anton Mussert Foto F.C. de Haan/ANP

‘Es soll in Europa kein Jude mehr übrig bleiben’, sprak Hanns Albin Rauter op 23 maart 1943 tot zijn gehoor van Nederlandse SS’ers. Over welk lot hen wachtte liet de Höherer SS- und Polizeiführer geen twijfel bestaan. Openhartig sprak hij over uitroeien. Bij wijze van boosaardige kwinkslag merkte hij nog op dat hij graag met zijn ziel in de hemel wilde boeten voor wat hij de Joden aandeed.

Zijn publiek kon het waarderen. Himmlers zetbaas in Nederland besloot zijn toespraak met de wijsheid dat wie de betekenis van het Jodendom als volk en ras had begrepen niet anders kon handelen. Kortom, de Holocaust als morele verplichting.

Wie was deze nazi die zijn leven wijdde aan de totstandkoming van een Judenrein Groot-Germaans Rijk? Tijdens de bezetting was hij de machtigste man na Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Zijn naam was synoniem voor naziterreur. Merkwaardig genoeg bestond er tot nu toe geen biografie van deze nationaal-socialistische Draufgänger. Theo Gerritse voorzag in deze omissie. Hij promoveerde onlangs op zijn indrukwekkende proefschrift Rauter. Himmlers vuist in Nederland.

Het rusteloze bestaan van deze Oostenrijkse nazi bestond voornamelijk uit agitatie en strijd. In het Habsburgse Rijk groeide hij op in een welgesteld gezin met uitgesproken Groot-Duitse sympathieën. De student bouwkunde Rauter meldde zich in 1915 als vrijwilliger voor het leger. Zijn ervaringen aan het front waren bepalend voor zijn verdere leven. Als lid van extreem-rechtse milities vocht hij na de oorlog tegen buitenlandse en binnenlandse vijanden van de rompstaat Oostenrijk. Zijn verdiensten als soldaat en vrijkorpslid zou hij later tot mythische proporties opblazen. Die verzinsels worden door Gerritse vakkundig ontmaskerd.

Elitekorps

Om justitiële vervolging te voorkomen week het inmiddels tot het nazisme bekeerde kopstuk van de Steierische Heimatschutz in 1933 uit naar Duitsland. De lage rang die hem daar bij de SA werd aangeboden ervoer hij als een belediging en dreef hem naar de SS. Vanwege zijn ‘kampferische Natur’, organisatietalent, ideologische bezieling en ascetische levenswijze was de boomlange Rauter – ondanks zijn niet zuiver Arische afstamming – een ideale SS’er. Binnen Himmlers elitekorps maakt hij snel carrière. De benoeming in mei 1940 tot Höherer SS-und Polizeiführer in Nederland vormde de bekroning daarvan.

Lees ook: In zijn biografie van Albert Speer rekent historicus Magnus Brechtken af met het nog altijd bestaande milde beeld van Hitlers minister van bewapening als ‘goede nazi’.

Als Generalkommissar für das Sicherheitswesen was Himmlers vazal ook aan zijn andere baas, Rijkscommissaris Seyss-Inquart, verantwoording schuldig. Kenmerkend voor het polycratische nazibestuur in Duitsland en de bezette gebieden was de onderlinge rivaliteit tussen kopstukken en hun organisaties. Zo was Rauter in een verbitterde strijd gewikkeld met de Generalkommissar zur besondern Verwendung Fritz Schmidt. Deze ‘alter Kämpfer’ was door het hoofd van de Parteikanzlei Martin Bormann uitverkozen als zaakgelastigde van de NSDAP. Schmidt steunde NSB-leider Anton Mussert die een zelfstandig Nederland wilde binnen een ‘Germaansche Statenbond’. Rauter ijverde daarentegen voor Himmlers ideaal van een Groot-Germaans Rijk, waarin ons volk moest opgaan. Voor hem was de ‘burgerman’ Mussert een ‘Abnutzungsobjekt’. Onvoorzien bleek ‘der Anton’ een geslepen tegenstander te zijn.

De bezettingsautoriteiten benaderden de Nederlanders aanvankelijk als Germaans broedervolk dat met zachte hand moest worden genazificeerd. De toenaderingspolitiek liep uit op een debacle. De NSB bleef over als voornaamste leverancier van Oostfrontstrijders en andere benodigde hulpkrachten. Het Duitse optreden kenmerkte zich vanaf de Februaristaking in 1941 steeds meer door repressie en terreur. Evenals bij de meedogenloze Jodenvervolging, eiste Rauter voor zichzelf de hoofdrol op. Tegenover Himmler schroefde hij voortdurend zijn eigen prestaties op.

Schaamteloos liegen

In schril contrast met deze Wichtigmacherei stond Rauters houding tijdens zijn naoorlogse proces. Hij presenteerde zichzelf nu als soldaat die slechts bevelen had opgevolgd. Waar mogelijk had hij erger proberen te voorkomen en van de Holocaust had hij niets geweten. Op basis van het minutieuze onderzoek van Gerritse is duidelijk dat Rauter schaamteloos stond te liegen. De doodstraf ontliep hij er niet mee.

Voor het executiepeloton zorgde de ongeblinddoekte Rauter voor een verrassing. Eigenmachtig gaf hij het bevel ‘vuur’. Ook in het aanzien van de dood wilde hij meester van de situatie zijn.

Bij Gerritse’s uitstekende studie moet worden opgemerkt dat zijn geprononceerde stellingname tegen Loe de Jong gekunsteld is. In zijn inleiding stelt hij de retorische vraag of Rauter ‘inderdaad de door De Jong geschetste eendimensionale boef [was] die geen nadere beschouwing verdiende’. Grif citeert hij De Jong die Rauter onder meer omschreef als ‘gier uit de Alpen’ en ‘roverhoofdman’. Deze weinig genuanceerde karakterisering deed De Jong echter eind jaren veertig in een tijdschrift van het toenmalige RIOD en niet in zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1969-1994). Wel schreef hij in deel IV: ‘Het ideaal immers dat Rauter zijn gehele leven najoeg, was dat van de onverbiddelijke, spijkerharde krijger en het leven dat hij gekozen had, vormde hem steeds meer in die richting.’

Volgens De Jong was Rauter geheel in de ban van de nazi-ideologie. Dit beeld schetst Gerritse, die Rauter typeert als ‘Germaanse krijger’, ook. In dat opzicht doet hij De Jong tekort.

    • Robin te Slaa