Beeldhouwer Robert Morris was een theatrale pionier van minimal art

Overleden

Robert Morris (1931-2018) was theoreticus, criticus, beeldhouwer, betrokken bij dans en maker van land-art. Het Observatorium in de Flevopolder is een van zijn bekendste werken.

Het Observatorium van Robert Morris bij Lelystad is een reusachtige zonnewijzer. Foto's Vincent Wigbels/ANP, Rob Crandall/Getty Images

„Een simpele vorm valt niet noodzakelijk samen met een simpele ervaring”, schreef beeldhouwer Robert Morris in 1966 in zijn essay Notes on Sculpture. Zijn beelden mochten er dan uitzien als doodgewone kubussen, koel en modernistisch zoals veel van de minimalistische kunst van die tijd, dat betekende niet dat de werken geen ziel hadden. Schaal, textuur, zwaarte, materiaal – het waren allemaal aspecten waar je als toeschouwer van kon genieten, vond hij.

Robert Morris Foto Rob Crandall/Getty Images

De 87-jarige kunstenaar overleed woensdag aan een longontsteking, in Kingston, New York. Met zijn geometrische beelden, maar vooral ook met zijn theoretische artikelen in het toonaangevende kunsttijdschrift Artforum, behoorde Morris tot de voorhoede van de abstracte kunststroming minimal art. Samen met Carl Andre, Donald Judd, Sol LeWitt en Dan Flavin bestormde hij in de jaren zestig de kunstwereld met rechthoekige sculpturen, gemaakt van industriële materialen als staal, glas of hout.

Hoewel de minimalisten zich nooit als hechte groep presenteerden en het vaak oneens waren, zijn ze van ongekende invloed geweest op de naoorlogse beeldhouwkunst. Morris, die ook als kunstcriticus opereerde, gaf hun kunst een theoretische basis.

Robert Morris (gehurkt, rechtsachter) in 1968 met kunstenaarvrienden. Keith Sonnier (links), Bruce Nauman, Robert Ryman (op een ladder), Bill Bollinger (voorgrond, midden), Robert Morris, Richard Tuttle en David Lee. Foto Rob Crandall/Getty Images

Robert Morris werd op 9 februari 1931 geboren in Kansas City en studeerde aan de Kansas City Art Institute en de California School of Fine Arts in San Francisco. Nadat hij met het Amerikaanse leger gediend had in Korea en Japan volgde hij tussen 1953 en 1955 een studie filosofie aan Reed College in Portland, Oregon. Hij vestigde zich als kunstenaar in San Francisco en begon zijn carrière met het maken van abstract-expressionistische schilderijen. In 1959 verhuisde hij naar New York, waar hij terechtkwam in de avant-gardistische kunstenaarskringen van Manhattan. Intussen volgde hij een studie kunstgeschiedenis aan Hunter College, en studeerde hij af op de beeldhouwkunst van Constantin Brancusi.

Als een van de eersten maakte hij in de vroege jaren zestig sculpturen met puur geometrische vormen, die hij in de Green Gallery exposeerde. Grijs geschilderde houten kubussen en driehoeken, cilinders en L-balken strooide hij als decorstukken door de expositieruimte. Later gebruikte hij ook staal, plexiglas en plastic voor zijn kunstwerken - als het maar goedkoop was en makkelijk te verkrijgen.

Een simpele vorm valt niet noodzakelijk samen met een simpele ervaring

Robert Morris

Maar hoe streng en rigide zijn beelden ook oogden, Morris was niet wars van een flinke portie theatraliteit. Zo maakte hij in 1961 de sculptuur Box with sound of its own making, een houten kistje met daarin een taperecorder met geluiden die hij had opgenomen tijdens de drieënhalf uur dat het hem had gekost om het kistje te maken. Samen met zijn eerste echtgenote, de choreografe Simone Forti, maakte hij dansstukken voor het Judson Dance Theater in New York. Soms speelde hij zelf mee, zoals in Site uit 1964. Getooid met een masker van zijn eigen gezicht sleepte Morris met platen triplex heen en weer over het podium, om uiteindelijk het naakte lichaam van perfomancekunstenaar Carolee Schneemann te onthullen die achterover lag als op Manets Olympia.

Vanaf 1967 maakte hij ‘felt-pieces’, vilten lappen die hij aan de muur exposeerde en waarbij de zwaartekracht zorgde voor de uiteindelijke vorm. Zijn werk werd steeds speelser en bood steeds meer ruimte aan de ervaring van de bezoeker. Zo maakte hij in de jaren zeventig diverse labyrinten waarin eindeloos gedwaald kon worden.

Verzamelaar Gori bij beelden van Morris in zijn beeldentuin in Pistoia, Italië Foto Hollandse Hoogte

Met zijn minimalistische beeldtaal was Morris ook van grote invloed op de landartkunstenaars die vanaf de late jaren zestig hun werken in de Amerikaanse woestijnen bouwden. Zelf heeft hij één belangrijk landschapswerk nagelaten, Observatorium, dat nog altijd te vinden is in de Flevopolder. Het werk is een soort moderne versie van Stonehenge: een cirkelvormige ruimte die als een enorme zonnewijzer uitgelijnd is met de stand van de zon in verschillende jaargetijden.

Observatorium

De eerste versie van zijn Observatorium maakte Morris in opdracht van de legendarische, door Wim Beeren georganiseerde tentoonstelling Sonsbeek buiten de perken in 1971. Het werk, met een doorsnede van zeventig meter, was destijds te bezoeken op een braakliggend terrein tussen Velsen en Santpoort, ingeklemd tussen snelwegen. Na afloop van de tentoonstelling werd het, ondanks vele protesten, gesloopt. Dankzij de inspanningen van museumdirecteuren Wim Beeren en Edy de Wilde en kunstverzamelaar Frits Becht kwam er in 1977 een tweede en grotere versie, met een diameter van negentig meter.

In de jaren tachtig, toen het minimalisme uit de mode raakte, veranderde Morris’ stijl vrij drastisch en ging hij figuratief werk maken over de ‘nucleaire apocalyps’. Gipsen afgietsels van botten en schedels, maar ook tekeningen en pastels, toonden wat er van de mensheid na een kernramp overbleef.

Morris bleef tot het eind van zijn leven actief. In oktober opende er nog een expositie met nieuw werk in de Castelli Gallery in New York. Ook daar weer toonde hij zijn angsten voor een gewelddadige toekomst, met beelden van fiberglas vol politieke slogans (Curses) en banieren met angstaanjagende beelden die hij ontleend had aan Goya en Stanley Kubrick (Banners). Ze zijn er nog tot 25 januari te zien.

    • Sandra Smallenburg