Recensie

Cornelis Lely: de man van de drooglegging van de Zuiderzee

Ir. Cornelis Lely

Hij was de man van de drooglegging van de Zuiderzee. Een nieuwe biografie laat ook zien dat hij als liberaal minister baanbrekende (water)wetgeving aangenomen wist te krijgen.

Ir. Cornelis Lely in 1920, toen hij politicus was. Foto Spaarnestad/HH

Een succesvol leven mag je het rustig noemen. Cornelis Lely (1854-1929) is vooral bekend als de man van de Zuiderzeepolders, en alleen al daarom is zijn fraaie standbeeld op de Afsluitdijk meer dan verdiend. Noest, onverzettelijk, oliejas, laarzen. Praktijkman in weer en wind. Wie Cees Bannings nieuwe biografie Cornelis Lely. Ingenieur van het nieuwe Nederland leest, komt er achter dat onder die oliejas geen werkmanspak schuilgaat, maar het driedelig kostuum met vlinderdas van bestuurder en politicus. Ook op dat vlak zou je hem een standbeeld gunnen. Hij wist als sociaal bewogen, liberaal minister de Ongevallenwet door de Kamer te loodsen (1901), een exploitatiewet Staatsmijnen (1901) de Nationalisatiewet PTT (1913), tot en met de Phosphorluciferwet (1901) die vervoer en verkoop van deze gretig zelfontbrandende vuurmakers aan banden legt.

Wie het lijstje Lely-wetten volgt ziet echter vooral watergerelateerde onderwerpen: wetten tot verbetering van drie kleinere rivieren in Gelderland (1892) en het Noordzeekanaal (1899), voor de aanleg van de Scheveningse visserhaven (1899), een Waterstaatswet (1900), en als klap op de vuurpijl de Zuiderzeewet (1918), die zou leiden tot het afdammen en grotendeels inpolderen van de overstromingsgevaarlijke Zuiderzee. Lely’s plan daartoe was niet nieuw. Hendrick Stevin opperde al in 1667 de zeegaten tussen de Waddeneilanden af te dammen, vanaf 1848 is er zelfs een hele reeks polderplannen.

Lely doet als ingenieur bij de droogleggingslobby Zuiderzeevereniging in 1886 bodempeilingen. Waar ligt klei (geschikt om in te polderen), waar zand (minder landbouwgeschikt)? De uiteindelijke vorming van de Zuiderzeepolders is er het resultaat van. Ongetwijfeld is dit het centrale project in leven en streven, ook naar Lely’s eigen gevoel.

Cees Banning tekent Lely als work- alholic, vaak tegen de overspanning aan. Kort van lengte, corpulent, jongenskuifje, geen groot spreker (hoge stem, schuchter), maar getalenteerd en sociaal genoeg om al op jonge leeftijd tot het ministerschap te worden geroepen.

Goudzoekersregio

Lely was Tweede Kamerlid, Haags wethouder alsmede gouverneur van Suriname. In de laatste functie liet hij de enige spoorlijn aanleggen die onze kolonie in de West ooit gekend heeft, naar de goudzoekersregio aan de grens met Frans Guyana. De spoorlijn rendeerde niet, de vrouw met wie hij een gelukkig huwelijk genoot gedijde slecht in het tropische klimaat. Verder rijst uit Cornelis Lely het beeld op van een toegewijd huisvader. Stoeien met de kinderen, die later ook als ingenieur in de Waterstaat zouden bloeien.

Is Lely een interessante man? Die vraagt rijst gaande deze biografie. Zijn carrière is dat zeker, deze werd niet voor niets roemrucht. Maar erg persoonlijk wordt het nergens. Een workaholic heeft weinig tijd voor privé-beslommeringen. Er is schaarste aan persoonlijke documenten. Je bent dan als biograaf afhankelijk van mededelingen van kinderen en kleinkinderen. ‘Vader had de gewoonte om…’ et cetera. Dat type citaten kent enig oubolligheidsrisico, en Banning ontsnapt daar niet altijd aan.

Is Cornelis Lely een interessante biografie? Informatief is hij zeker, leesbaar ook. Lijstjes van functies en nevenfuncties, beknopte maar heldere beschrijvingen van de vele politieke complicaties die hij tamelijk onverzettelijk door wist te schipperen. Bannings verteltoon is alleen nogal rond, vaak heb je behoefte aan iets meer scherpte. De neiging zich hier en daar te herhalen helpt ook niet mee. Zo legt Banning tweemaal het principe van de Scheveningse vissersbom uit. Dit is het beeld dat overblijft: veel informatie in een bijzonder overzichtelijk boek. Maar het is alsof Lely zijn eigen biografie heeft drooggelegd.

    • Atte Jongstra