‘Mijn leven is echt met honden verweven’

Spitsuur Anesthesiemedewerker Lian Geuze (46) rent zo vaak mogelijk buiten met haar honden. Het hardlopen helpt ook om bij te komen van haar nachtdiensten. „De kunst is om alles in balans te houden – soms is dat best bikkelen.”

Lian: „Veel draait om mijn honden. Alleen als ik werk, ben ik niet bij ze. Je moet er altijd rekening mee houden. Na een dag werken ga je niet ’s avonds nog op sjouw, je moet ze uitlaten en verzorgen. Gelukkig woon ik in het buitengebied van Dalfsen, ik ben zo in het bos.

„De kunst is om dat allemaal in balans te houden – soms is dat best bikkelen. Na mijn opleiding tot anesthesiemedewerker in Hardenberg ging ik werken aan de Universiteit Utrecht, bij de faculteit Diergeneeskunde. Dat was helemaal mijn ding. Alleen de reistijd, dat brak mij op. Ik ging vaak voor zessen de deur uit en was pas om zeven uur weer thuis, met soms een weekenddienst. Het was te veel. Ik heb overwogen om naar de Randstad te verhuizen, maar daar ben ik totaal niet de persoon voor.

„Na mijn werk met dieren dacht ik: ambulanceverpleegkundige, dat is een mooie uitdaging! Ik deed assessments, psychologische tests, rollenspellen en een sportkeuring. Ik ging met een zware rugzak vier verdiepingen omhoog. Uiteindelijk werd ik toegelaten op de opleiding, maar bleek wat werkervaring als verpleegkundige tekort te komen. Het was niet persoonlijk, maar voor je ego is dat niet leuk. De laatste keer dat ik in de verpleegkunde zat, was van m’n zeventiende tot mijn drieëntwintigste. Daarna zat ik vijftien jaar in het bedrijfsleven, in de makelaardij en als officemanager bij een architectenbureau.

„Nu ben ik weer anesthesiemedewerker, in het ziekenhuis in Zutphen. Dat is een heel andere tak van sport. Iemand moet een nieuwe heup, er moet een blindedarm uit of er is een keizersnee. Samen met een anesthesioloog doe ik de narcose of een lokale verdoving en houd alles in de gaten: de hartslag, de bloeddruk. Wij zorgen dat de mensen zo comfortabel en pijnvrij mogelijk wakker worden.

„Niemand wordt voor zijn lol geopereerd. Ik haal de mensen op, maak een praatje – de meeste zijn nerveus. Dan praten we over wat voor werk ze doen, over de kinderen en kleinkinderen. Iedereen heeft een eigen verhaal en dat vind ik mooi.”

Door het bos sjouwen

Lian: „Mijn wekker gaat vroeg. Voor het reizen trek ik een uur uit, ook al is het maar 45 kilometer – op het werk moeten wij ons namelijk omkleden. Dan werk ik van half acht tot vier. Als ik thuiskom, laat ik de honden uit en daarna sport ik.

„Ik doe al zo’n vijftien jaar aan hardlopen, nadat ik was gestopt met roken. Ik zeg wel eens: ik heb de ene verslaving ingeruild voor de andere. Eerst liep ik vooral op de weg, maar ik was een beetje klaar met die trainingsschema’s. Ik las op internet over trailrunning, hardlopen op onverharde wegen, en dat bleek ook met de hond te kunnen, canitrailen heet dat. De hond zit aan je vast, zo gebruik je de kracht van je hond.

„Dirk, mijn hond, heeft ook een tuigje om, want de trekkracht moet verdeeld worden. Als ik Dirk voluit laat gaan, gaat dat als een speer. Ik ren samen met Berry, een trailmaatje. We gaan dan met z’n vieren: twee personen en twee honden. We begonnen met vijf kilometer, daarna tien en later twintig. Nu proberen we een marathon te lopen.

„Qua natuur is het hier fantastisch: de Sallandse Heuvelrug en de Lemelerberg zijn om de hoek. Ik train twee keer per week en een keer in het weekend, mits er niet gewerkt moet worden. Eén keer per maand werk ik een weekend en elke week een avond. Het hoort erbij.

„Hoe ouder je wordt, hoe lastiger de nachten zijn. Vroeger had ik dat niet, maar nu heb ik een paar dagen nodig om ervan bij te komen. Het hardlopen helpt daarbij, het geeft energie. Het geeft ook rust in je hoofd, even fijn met de hond door het bos sjouwen.”

Maanden van slag

Lian: „Sinds ik op mezelf ben gaan wonen, op m’n twintigste, heb ik altijd honden gehad. Ik ben begonnen met de IPO-sport, dat is een soort politiehondentraining maar dan recreatief. Er zijn drie onderdelen: speuren, gehoorzaamheid en ‘pakwerk’ – Dirk is daar ook voor opgeleid. Maar op een gegeven moment was ik er klaar mee, de motivatie was een beetje weg.

„Dirk is zo’n hond die niet verder dan een meter van mij vandaan gaat. Ik maak daar altijd grapjes over ‘Dirk, kom maar bij mama’, roep ik vaak. Sommige mensen vinden dat afschuwelijk. ‘Je bent toch niet z’n moeder’, zeggen ze dan. Maar hé, het is wel míjn hond, mijn huisgenoot – ze zitten echt in mijn leven verweven. Als ze dood gaan, ben ik maanden van slag.

„De laatste keer, vier jaar geleden, had ik een hond waarmee ik IPO-wedstrijden deed: Kink. Hij was acht en met pensioen, we waren net provinciaal kampioen geworden. Op een gegeven kreeg-ie een bult, het was kanker. Hij werd mager en uiteindelijk moest ik hem laten inslapen. Ik heb een paar dagen vrij genomen om het te verwerken, het ging zo snel.

„Die hond, die mis je. Je wilt zo’n hond het liefst thuis begraven, maar toen vroor het heel hard, dus kon het niet. Nu ligt hij op een dierenbegraafplaats, zes kilometer verderop. Er zijn graven van konijnen, honden en katten – van marmeren ornamenten tot aan graven vol kindertekeningen voor hun huisdier.

„Ik ga er nog wel eens heen en dan maak ik het graf netjes. Op Kinks graf heb ik een beker weggezet die ik samen met hem heb gewonnen. Het was de eerste plaats.”

    • Fabian de Bont