Recensie

Net als yoga en roken draait literatuur om ademhaling

Daniël Rovers Liever dan polemist betoont Daniël Rovers zich in zijn leesautobiografie bewonderaar – hij legt graag uit wat David Foster Wallace of Anton Valens zo goed maakt. Als hij afstapt van de schouders van reuzen is hij op zijn best.

Een enkel woord was genoeg om me te verheugen op het nieuwe boek van Daniël Rovers: leesautobiografie. Want dat is de ondertitel van Bakvis, de opvolger van De waren, de sterke, subtiele roman die het vorig jaar tot de shortlist van de ECI Literatuurprijs schopte. Het woord riep op wat de achterflap alleen maar bevestigt, namelijk een boek over hoe een schrijver, of desnoods ‘mens’, gevormd is door de boeken of schrijvers die hij in de verschillende fases van zijn leven las.

Zo’n uitgangspunt biedt tal van mogelijkheden. De schrijver zou zich bijvoorbeeld opnieuw kunnen buigen over de moraal van de kinderboeken waar hij vroeger mee dweepte. Hij zou kunnen onderzoeken waarom hij die schrijver wel en die ander niet zo goed vond: moest hij het met ze eens zijn? Had hij heldhaftige personages nodig? Of was hij sterk genoeg om zich ook in de schurken te verplaatsen? Waarom las hij – het zou zomaar kunnen – zo weinig vrouwen? Alles mag, zolang het maar schuurt, want daarvan gaan de hersenen werken.

Zo’n boek is Bakvis niet geworden. Het bevat weliswaar stukken over schrijvers en boeken, maar ze worden niet overkoepeld door een thema, het zijn beschouwende stukken die Rovers (1975) de afgelopen tien jaar schreef voor media als De Reactor, De Gids, yang en De Groene Amsterdammer. Sommige hiervan dragen inderdaad een persoonlijk stempel (iets wat een recensent zich over het algemeen niet kan permitteren) en sommige zijn gegoten in een experimentelere vorm dan de doorsnee kranten- of tijdschriftenrecensie, maar verder is het echt niet nodig geweest om te pretenderen dat Bakvis méér is dan een bundeling artikelen.

Yoga en sigaretten

In die artikelen is Rovers liever een bewonderaar dan een polemist. Hij windt zich wel eens op (bijvoorbeeld in een stuk over de opmars van de tv-serie ten koste van de roman), maar liever legt hij uit wat David Foster Wallace (wiens The Pale King mede door Rovers werd vertaald), Frans Kellendonk of Anton Valens zo goed maakt. Hij besteedt hierin net even wat meer aandacht aan de techniek dan aan het effect van die techniek. Op die ogenblikken heb je goed door dat Rovers het over collega’s heeft.

Ook is Rovers’ academische achtergrond merkbaar. Zonder omhaal verwijst hij naar de ‘transcendentale dakloosheid’ van Georg Lukács, de ‘astmatische syntaxis’ bij Proust of stelt hij dat het in de literatuur ‘net als bij yoga, het roken van een sigaret, borstcrawl en de beklimming van de Matterhorn’ om ‘ademhaling’ draait. Thema, stijl, actuele kwestie, het is allemaal het ‘oppervlakkige gevolg van een diepzinnig principe – adem in, adem uit – waarop elke roman en elk gedicht is gebouwd’. Dat was nieuw voor mij, maar/en ik ga er over nadenken. Net als over de opmerking dat ‘de inzet van elk schrijven existentieel is en dus ethisch’.

Rovers is op zijn best als hij van de schouders van de groten afstapt en zelf, in een door hem ontworpen vorm, iets zegt. Zoals in een stuk vol korte, hintende alinea’s over Hans Faverey, waarin hij een leven- en loopbaanschets geeft van de in 1990 overleden dichter. Faverey hield van voetbal en dus is een alinea als deze volstrekt op zijn plaats: ‘In 1976 nam Panenka in de EK-finale voor Tsjecho-Slowakije een strafschop. Poëzie is nooit weten wat het volgende moment je brengt.’

    • Sebastiaan Kort