Opinie

    • Michel Krielaars

Het universum van Biesheuvel

Door dood van Eva Biesheuvel werd ineens alles anders. Alsof ze een dierbaar familielid was, dat ik zo lang mogelijk bij me wilde houden.

De schrijversweduwe is een fenomeen. Denk aan Mieke Vestdijk, die de nagedachtenis aan haar man, Simon Vestdijk, als een cipier van Blauwbaards burcht probeerde te beschermen tegen kritische biografen. Hoewel je ergens sympathie voor haar argwaan kon hebben, dacht je meestal toch: ‘Mens, krijg de kriebels, laat die biografen toch schrijven wat ze willen.’

Van Eva Biesheuvel, die vorige week, kort na haar tachtigste verjaardag plotseling overleed, stelde ik me altijd voor dat zij voor de potentiële biografen van haar man Maarten de ideale schatbewaarder zou zijn. In alles was ze behulpzaam, kordaat, redelijk, ze schuwde geen taboe, net als haar man hield ze van vogels en poezen, en bovendien was ze intelligent. Wel las ik in een herdenkingsartikel van haar vriend Peter van Zonneveld dat ze graag de regie hield. Zo had ze hem onlangs nog om advies gevraagd over hoe een biografie van haar man eruit zou moeten zien, ‘want ook daar wilde ze zich graag mee bemoeien’, schrijft Van Zonneveld. Maar een tweede Mieke? Dat toch echt niet.

Ik werd in mijn mening gesterkt toen begin oktober Verhalen uit het gekkenhuis verscheen, een door Eva gemaakte selectie van Biesheuvels ‘allerbeste gekkenhuisverhalen’, aangevuld met ongepubliceerd werk, twee ontroerende brieven aan Karel van het Reve over het schrijverschap (‘Nee, er valt eigenlijk niets te verzinnen. Je moet over iets struikelen en het voorval moet passen bij je ziel.’ ), een interview met zijn psychiater en een inleiding van haar hand. Ik was van plan dat boek rond de kerstdagen te gaan lezen en dan te mijmeren over de jaren waarin ik als scholier naar de boekhandel snelde om zijn nieuwste verhalenbundel te kopen. Maar door haar dood werd ineens alles anders. Alsof ze een dierbaar familielid was, dat ik zo lang mogelijk bij me wilde houden.

In haar inleiding doet Eva verslag van Biesheuvels geestelijk welzijn. Dat was het afgelopen jaar beroerd, schrijft ze, al ging het de laatste tijd beter. Drie middagen per week kwam hij naar huis en ’s zondags bleef hij eten. Het zag er zelfs naar uit dat hij binnenkort voorgoed thuis mocht wonen.

Ook heeft Eva vier aan haar gerichte brieven van Biesheuvel opgenomen. Die brieven zijn, zeker nu ze dood is, nog aangrijpender dan ze al waren (Biesheuvel las er een paar voor in DWDD). Alleen daarom al citeer ik er nu niet uit en moet u ze zelf maar lezen.

Biesheuvels vroegere psychiater Andy Lameijn voegt er in een interview met de uitgever van Verhalen uit het gekkenhuis, Aart Hoekman (zijn naam zij alleen al om dit boek geprezen), nog meer interessants aan toe. Zo is hij over Biesheuvels welzijn minder optimistisch dan Eva en haalt hij een mooie zin aan uit het verhaal ‘Angst’, waarin Biesheuvel de patiënten in het therapiegebouw van Endegeest omschrijft als ‘een hoopje natte vliegen’ die tegen elkaar aan zitten.

Tien jaar geleden was ik op bezoek in een armzalig psychiatrisch ziekenhuis op de Krim. Ik heb nog nooit zoveel Napoleons, tsaren en Jezussen bij elkaar gezien als daar. Meteen waande ik me in het universum van Biesheuvel en begreep ik waarom hij zo van Gogol en Tsjechov houdt. Want dit was zowel hun wereld als de zijne. Ook hier zaten de patiënten als ‘een hoopje natte vliegen’ tegen elkaar aan.

    • Michel Krielaars