Hendrika van Leeuwen, buitenstaander in de natuurkunde

Ongekend Ze waren belangrijk voor de wetenschap, maar deze ongekende vrouwen stonden in de schaduw. Hendrika van Leeuwen (1887 – 1974) beschreef de quantummechanische oorsprong van magnetisatie.

~ Hendrika van Leeuwen ~~ 1887 - 1974 ~

Ze was de Van Leeuwen in het ‘Bohr-Van Leeuwentheorema’. Die bijna honderd jaar oude stelling gaat over magnetische materialen. Over het ijzer in de ijskastmagneet, en over het snufje keukenzout en de platina ring die in de buurt van een heel sterk magneetveld zelf ook een pietsje magnetisch worden. Al zulk magnetisme heeft een quantummechanische oorsprong, zegt de stelling. Want: werk je enkel met formules uit de klassieke natuurkunde en de statistische mechanica (omdat je in materialen steeds over héél veel atomen spreekt), dan duikt magnetisatie niet op.

Wat moet Hendrika van Leeuwen enthousiast geweest zijn dat ze dit resultaat in 1919 in haar proefschrift kon zetten. En wat een teleurstelling moet het zijn geweest om niet lang daarna te ontdekken dat iemand haar voor was geweest. Precies hetzelfde theorema was al in 1911 in een proefschrift afgedrukt. In dat van de intussen befaamde quantumfysicus Niels Bohr. Dat vervolgens toch óók Van Leeuwens naam aan de stelling werd geplakt, moet mede te danken zijn aan de goede relaties van Bohr met de Leidse fysici.

Wie was Hendrika van Leeuwen die tot aan haar dood in 1974 als ‘mejuffrouw’ door het leven ging? Net als haar twee jaar oudere zus Cornelia zat ze in het golfje vrouwen dat begin twintigste eeuw over de Nederlandse universiteiten spoelde. Het merendeel studeerde bij letteren. Bij natuurwetenschappen was vooral farmacologie populair, maar de zussen Van Leeuwen hoorden bij het selecte groepje dat voor natuurkunde had gekozen. ‘Juffertjes’ noemde de Leidse hoogleraar Paul Ehrenfest de vrouwen weleens wat spottend in brieven aan zijn – trouwens ook wis- en natuurkundig geschoolde – vrouw.

Hemelbestormsters waren het niet. De vrouwen zaten klem tussen hun ambitie om te studeren en de maatschappelijke verwachting om te trouwen en de zachte kanten van het leven onder hun hoede te nemen. Het lustrumboek van de Vereniging Vrouwelijke Studentes Leiden (VVSL) uit 1910 laat zien hoe ze daar mee worstelden. Wat zei het bijvoorbeeld dat de studentes nu niet meer handwerkten tijdens vergaderingen, zoals begin 1900 nog wel? Waren ze door hun studie onvrouwelijker geworden? En serieuzer: wat hadden de vrouwen aan hun studie als ze na hun trouwen informeel (en vanaf 1924 zelfs wettelijk!) niet meer uit werken mochten?

Haar eigen gang

Hendrika ging haar eigen gang. Ze had geluk met haar promotor. Lorentz zou de geschiedenis ingaan als Nobelprijswinnaar (1903) en voorzitter van de Zuiderzeecommissie, maar hij had ook hart voor de ‘vrouwenzaak’. Al in de jaren 1890 vergezelde hij zijn vrouw Aletta Lorentz-Kaiser naar bijeenkomsten over vrouwenkiesrecht en -onderwijs. En in de jaren 1910 was hij promotor van maar liefst vier vrouwen: zijn dochter Geertruida Luberta (1912), Johanna Reudler (1912), Eva Dina Bruins (1918) en dus Van Leeuwen.

De Delftse quantumfysicus Miriam Blaauboer zocht in 2015 voor het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde uit hoe haar verre voorgangster daarna carrière maakte. Ze ontdekte dat Van Leeuwen in 1917 bijna ontslag had genomen als assistente van Lorentz, daarmee haar inkomsten en promotie óók haast vergooiend. Kennelijk dacht ze (of was haar verteld) dat ze een baan bezat die in tijden van groeiende werkeloosheid aan een man zou moeten toevallen. Lorentz stak er een stokje voor. De man in kwestie, promovendus Adriaan Fokker, was ‘vermogend genoeg en heeft het geld niet nodig’, legde hij aan Ehrenfest uit.

Zo was voor Van Leeuwen de weg vrij voor een verdere carrière. Én voor een leven dat wat eenzaam klinkt. Terwijl oudere zus Cornelia naar Finland verhuisde met haar man Gunnar Nordstrom en drie kinderen kreeg, werd Hendrika in 1920 in Delft assistente aan de Technische Hogeschool (nu TU Delft). Ze leidde er het practicum voor natuurkundestudenten, en gebruikte de overgeschoten uurtjes voor meten en rekenen aan haar lievelingsonderwerp – magnetisatie. ‘Juffrouw van Leeuwen, met haar magneten, zit op de theorie te transpi-zweten’, luidde in de jaren dertig een strofe uit een feestelijke ballade over het lab.

Ferromagnetisme

Pas in 1947, ze was 59 jaar, leverde dat werk en haar publicaties een lectoraat op. Eindelijk mocht ‘Mej. Dr. H.J. van Leeuwen’, zoals ze in het Programma der Lessen stond vermeld, ook colleges geven: Ferromagnetisme en de Beginselen van de Speciale Relativiteitstheorie. Ze werd de eerste vrouwelijke lector van de TU Delft.

Maar oud-studenten associeerden haar toch allereerst met het practicum. Toen Jan Berend Westerdijk in 1951 hoogleraar technische natuurkunde werd, prees hij bij die gelegenheid de bijna gepensioneerde Van Leeuwen dat ze in haar practicum ‘onze studenten tot zelfstandig denkende en handelende leerlingen’ vormde, en het lab steeds ‘moderniseerde’. En hij zette haar tegelijk apart door haar aan te spreken als ‘zeergeleerde mejuffrouw’.

Mejuffrouw Van Leeuwen was een buitenstaander in de natuurkunde waarin na dat kleine golfje uit het begin van de twintigste eeuw amper nog vrouwen waren beland. Tegenwoordig is bij de faculteit Technische Natuurkunde van de TU Delft 11 procent van de studenten vrouw.

    • Margriet van der Heijden