Recensie

Een wereld van Übermenschen

Uwe Timm

In zijn roman Icarië kaart de schrijver opnieuw een thema uit het nazi-verleden aan: de rassenhygiëne. En dat tegen de achtergrond van Stunde Null, het benauwende Duitsland direct na Hitlers ondergang.

Een Amerikaanse militair timmert een bord aan een paal met daarop ‘Wegen en bermen gezuiverd van Moffen’. Foto William Vandivert

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw hing in Europa vrijwel iedere vooruitstrevende intellectueel en geleerde de rassenleer aan. Eugenetica en rassenhygiëne waren ineens serieuze takken van medisch onderzoek. Als het beschavingsniveau van een land moest worden bepaald, was het ene ras vanzelfsprekend hoogstaander dan het andere.

In Duitsland, koploper op het gebied van de exacte wetenschappen, kreeg de rassenleer een extra lading toen eugenetici en rassenhygiënisten de maatschappij begonnen voor te stellen als een organisme dat van ziektes kon worden genezen. In de jaren dertig van de twintigste eeuw werden die opvattingen in Scandinavië en de VS al in de praktijk gebracht door mensen met fysieke en geestelijke afwijkingen te steriliseren. Maar het was Hitler die het radicaler aanpakte. Tussen 1939 en 1941 liet hij 100.000 geestelijk en lichamelijk gehandicapten en ongeneeslijk zieken vergassen. En als de oorlog met de Sovjet-Unie niet was uitgebroken, dan waren ook de bejaarden aan de beurt gekomen.

De eugenetica van de nazi’s inspireerde de Duitse schrijver Uwe Timm (1940) tot zijn roman Icarië. Centraal hierin staat het leven van de excentrieke gangmaker van de Duitse eugenetica, dr. Alfred Ploetz (1860-1940), die in Hitler degene zag die zijn theorieën over rassenhygiëne in de praktijk kon brengen om uiteindelijk een raszuivere mens te creëren: de lange, blonde, blauwogige ariër.

Timm, die een deel van zijn oeuvre aan de omgang met het nazi-verleden heeft gewijd, is er ook dit keer in geslaagd een originele roman over dit thema te schrijven. Want behalve over Ploetz gaat Icarië ook over Stunde Null: het Duitsland in de eerste maanden na de nederlaag van Hitler. Het hele land is verwoest. De nazi’s zijn van de aardbodem verdwenen. En als er al iemand lid van de partij was, dan was dat natuurlijk niet uit overtuiging, maar omdat hij geen andere keus had.

Glimmende schachtlaarzen

Icarië begint met een veelzeggende scène, waarin tussen de puinhopen van een Duitse stad een kleine jongen op een man afloopt, die ‘op deze lentedag niet is gekleed in zijn bruine uniform met glimmende schachtlaarzen’, maar in het groen. Ook steekt die man ‘niet net als gisteren zijn arm omhoog, hij riep niet Heil’. Het jongetje pakt zijn hand beet en maakt vreemde, gorgelende geluiden. Pas dan besef je dat hij geestelijk gehandicapt is en hij door de nazi’s zou zijn vermoord als zijn ouders hem niet twaalf jaar lang hadden verstopt. Maar de nazi’s zijn verslagen. Het ventje kan weer buiten spelen en door andere kinderen worden gepest.

Na deze proloog leer je Timms hoofdpersonage kennen: Michael Hansen, een jonge officier van de Psychological Warfare Division van het Amerikaanse leger in Duitsland, die opdracht krijgt het archief van de in 1940 overleden Ploetz in beslag te nemen. Hansen, Duitser van geboorte, emigreerde als puber in 1932 naar de VS, omdat zijn vader daar een goede baan had gekregen. Na zijn studie Duits heeft hij zich bij het leger aangemeld om tegen zijn vroegere landgenoten te vechten, hoewel de oorlog al bijna voorbij is.

Lees ook: Hoe het hedonistiscche Berlijn veranderde in de hoofdstad van het nazisme

Eenmaal terug in zijn geboorteland ziet Hansen tussen de puinhopen overal plunderende vrouwen, verminkte mannen, armoede. Ook hoort hij over de geallieerde bombardementen op Dresden en Frankfurt, waarbij tienduizenden burgers zijn omgekomen, uit elkaar geploft als ‘te heet gebakken worsten’ bij duizend graden Celsius.

Voor geallieerde militairen zoals Hansen is het verboden de Duitsers vriendelijk aan te kijken. Verbroedering is evenmin toegestaan, wat erop neerkomt dat hij niet met Duitse meisjes mag omgaan. Dat laatste doet hij toch, want de geallieerde bezettingstroepen leiden een losbandig bestaan. De brave Hansen gaat er geheel in op, nadat hij bij de zwoele Sarah, een collega-militair, in bed is beland. Maar het wordt pijnlijk serieus als hij de intrigerende Duitse oorlogsweduwe Molly leert kennen, waarbij de liefde vooral van zijn kant komt. Die bittere liefdesaffaire zet Timm ontluisterend goed neer, waardoor Molly een symbool wordt van de overwonnen Duitse vrouw.

Geen monsters

Timm schetst in Icarië een benauwend en indringend beeld van het overwonnen Duitsland en zijn bevolking. Met name in de vorm van het dagboek dat Hansen bijhoudt. Hierin noteert deze bijvoorbeeld hoe onbegrijpelijk de verschrikkingen van de nazi’s zullen worden zodra de daders zijn verdwenen. ‘Het zijn geen monsters, maar heel normale mensen. En zolang ze leven, hebben ze duizend kleine verklaringen hoe ze tot dat bereidwillige, verplichte moorden zijn gekomen en waarom het “normaal” leek.’

Onthutsend is ook Hansens ontmoeting met de gemeenteraadsleden van Coburg, van wie er een onder zijn neus een lichte plek heeft waar hij twee dagen eerder zijn ‘snotrem’, zijn kleine zwarte Hitlersnorretje, heeft afgeschoren. Zulke beeldende scènes kom je ook in het gedeelte over Ploetz tegen. Die hoofdstukken hebben de vorm van een raamvertelling, waarin Hansen een vroegere vriend van de eugeneticus ondervraagt. Deze bejaarde man, Wagner genaamd, is een sociaaldemocraat, die in 1933 door de SA in Dachau wordt opgesloten. Dankzij Ploetz’ bemiddeling komt hij vrij. Daarna duikt hij onder in de kelder van een antiquariaat, waar hij waakt over de boeken van verboden schrijvers zoals Bertolt Brecht, Heinrich Mann, Alfred Döblin en Franz Kafka. Wagner symboliseert op die manier het goede Duitsland, dat zich twaalf jaar lang koest moet houden.

Het leven van Ploetz is één groot idealistisch avontuur. Al sinds zijn jonge jaren is hij beïnvloed door de roman Reis naar Icarië (1840) van de Fransman Étienne Cabet. Dat boek handelt over een communistische gemeenschap, waar gelijkheid, vrijheid en broederschap heersen. Aan het einde van zijn roman doet Cabet een oproep aan zijn lezers om naar Amerika te gaan, waar hij in 1848 ook zelf met een grote groep volgelingen een commune sticht. Veertig jaar later sluit Ploetz zich daar bij aan, samen met Wagner en andere gelijkgestemden. Maar zodra ze vaststellen dat oude normen en waarden ook in die commune hardnekkig blijven voortbestaan, keren ze terug naar Europa. Daar raakt Ploetz in de ban van een nieuw ideaal: dat van een sociale revolutie in samenspel met een communistische economische orde en een gelijknamige verandering van de biologische constitutie van de mens. ‘We moeten de mens tot iets hogers verheffen’, zegt hij. Op dat moment wordt de eugeneticus geboren, die verlangt naar een volksgemeenschap van Übermenschen. Hartstochtelijk gaat hij op in zijn experimenten, waarmee hij die nieuwe mensheid wil kweken.

Tegen de achtergrond van Stunde Null laat Timm de ontwikkeling van dat fanatieke streven zien. Het maakt alle geloof in vooruitgang ineens heel betrekkelijk. En wetenschap wordt dankzij deze roman iets heel bedreigends.

    • Michel Krielaars