Recensie

Een puberzomer vol jaloezie, erotiek en voyeurisme

Paolo Giordano De vierde roman van Paolo Giordano vertelt meeslepend over de tragisch verstrengelde levens van vier jongeren in Zuid-Italië. De makke: hij werpt veel op, maar denkt niet verder, en waarom klinkt iedereen zo koel?

In de eerste hoofdstukken van De hemel verslinden sleept Paolo Giordano als vanouds zijn lezers mee. Net als in zijn debuut De eenzaamheid van de priemgetallen (2008) roept hij meesterlijk de wezenloze argeloosheid op waarmee pubers in de wereld staan. In zijn vierde roman introduceert hij opnieuw vier jongeren die zichzelf en elkaar uitdagen in een wirwar van voyeurisme, jaloezie en de erotiek van lome lichamen.

Giordano (1982) neemt de lezer mee naar de verhitte vlaktes van Zuid-Italië. Daar is de vijftienjarige Teresa uit het noordelijke, geciviliseerde Turijn, met vakantie in de familievilla van haar vader. Hun grond grenst aan de akkers van een alternatief gedreven boerenbedrijf waar drie jongens als broers opgroeien in een kleine religieuze sekte. Teresa is geïntrigeerd en dringt zich aan hen op en zo provoceert ze onbedoeld een vijftien jaar lang dooretterend verbond.

Op haar 31ste vertelt Teresa, heen en weer springend in de tijd, de tragedie van hun verstrengelde levens. Zij blijkt een pion te zijn in de troebele onderlinge verhouding van de pleegbroers en ze wordt de stortbak voor hun bekentenissen. Die draaien steeds om die ene broer, Bern. Adembenemend charismatisch is hij. Zo’n jongen die maar met een ding bezig is: zijn eigen gedachten en verlangens. Hij dwingt het hele stel inclusief aanhang, tot een strikt ecologisch gevoerd boerenbedrijf annex een obsessief ‘pure’ levenshouding, en tot fanaat activisme.

Bern is alles. Hij is zo mooi als de blonde aartsengel Michael ‘op het schilderij van Guido Reni’. Hij is Kaïn – hij vermoordt een broer. Hij is een oudtestamentische profeet – hij trekt zich maandenlang terug in de kruin van een zeer oude olijfboom. Daar komt hij uit met handen die ‘op twee plaatsen’ bloeden. Met de stigmata dus – hij is nu de Messias zelf.

Zijn laatste zoektocht betreft een schone, door mensen onaangeraakte plek. Die vindt hij – waarbij hij zelf die plek onherstelbaar bezoedelt, maar dat realiseert hij noch zijn aanhang zich. Ernstiger is dat ook de schrijver dat niet lijkt te beseffen, hij maakt er althans geen werk van.

En dat is de makke van De hemel verslinden. Giordano werpt van alles op. Over religie. Over milieuactivisme. Over liefde, over lijden. Over het behoud van oude waarden bij het bewerken van het land. Maar hij laat het bij opwerpen. Verder denken doet hij niet.

Zijn verhaal is spannend, ook al stelt hij het op de proef met zijn breedsprakigheid en vertoon van kennis. Problematischer is zijn afstandelijke stijl. Die treft raak de puberzomers, zoals hij ook werkte voor Priemgetallen. In die roman waren de hoofdpersonen gedoemd pubers te blijven om zich te verdedigen tegen de trauma’s uit hun jeugd. Maar in De hemel verslinden ligt dat anders en slaat die stijl dood. Want die personages waren zonderlingen en gekleurd door het onvermogen om de ander werkelijk te kennen. Maar dit zijn mensen met een missie. Ze ontwikkelen zich. Ze worden volwassen, ze gaan hun eigen weg. En toch legt Giordano hen allen dezelfde koele manier van spreken op. De heftige dingen die ze doen en meemaken, vertellen ze alsof ze de waterstanden voorlezen. We kijken in hun hart en daar is het merkwaardig leeg.

    • Joyce Roodnat