‘De verschillen tussen mensen zijn minimaal. Waarom daarop focussen?’

Ismail Aghzanay Leraar en cabaretier Hij werd de Rotterdamse leraar van het jaar en stond in de finale van het cabaretfestival Cameretten. „Rechtvaardigheid staat op nummer één.”

Ismail Aghzanay Foto Anne van Zantwijk

„Het is een superjaar”, zegt Ismail Aghzanay (27). In oktober werd hij uitgeroepen tot Rotterdamse leraar van het jaar, en afgelopen weekend stond hij als onderdeel van het duo Waterkonijnen in de finale van het toonaangevende cabaretfestival Cameretten in Rotterdam.

Aghzanay geeft Engels op het Rotterdam Design College, een school in Rotterdam waar veel leerlingen met rugzakjes komen, zegt hij. Er zijn overeenkomsten tussen cabaret en lesgeven. „Je moet creatief en actief zijn, anders raak je het publiek kwijt. Als leraar ben je ook entertainer.”

Waarom wil je graag het podium op?

„Ik vind cabaret een van de mooiste kunstvormen. Het is heel verbindend. Je kunt dingen zeggen die de meeste mensen niet durven te zeggen, op een manier waarop je erover kunt lachen, maar je mensen ook aan het denken zet. Wij vertellen over ons eigen leven, over praktische dingen, maar we stellen ons ook kwetsbaar op. We zijn rechtvaardig, eerlijk, en ook kritisch over onze eigen cultuur.

„Jarenlang heb ik mensen in mijn omgeving gehad die zeiden: ‘Cabaret, zou je dat nou wel doen, dan verloochen je je afkomst, dat is voor witte mensen, die mogen ons niet.’ Maar toen ik try-outs voor de voorstelling deed, was het juist zo warm, er was zoveel herkenning. Er zitten mensen in de zaal, de verschillen tussen die mensen zijn minimaal, waarom zou je je daarop focussen.”

Denk je dat door jullie succes er meer mensen met een Marokkaanse achtergrond naar cabaret komen?

„Ja, zeker wel, daar streven we ook naar. Eerder dit jaar stonden we twee keer in theater Zuidplein met een avondvullende show, Ondanks Alles. Het publiek was een echte mengelmoes, alles zat er tussen: Hollanders, Turken, Marokkanen, Antilianen. Het gaat ook niet om kleur. Je bent mens, dat is het allerbelangrijkst.”

Waar had je de benoeming tot Rotterdamse leraar van het jaar aan te danken?

„Ik toon oprechte interesse in de leerlingen. Ik vraag hoe het met ze gaat, hoe hun dag was. De meeste kinderen op school komen binnen met een rugzakje. Hun ouders zijn gescheiden, ze werken vaak ’s avonds, of er zijn financiële problemen. Die kinderen hebben vaak al een achterstand als ze van de basisschool komen – ze missen ook vertrouwen.

„Ik heb zelf op speciaal onderwijs gezeten. Daarna heb ik een opleiding tot administratief medewerker niveau 2 gedaan, toen sociaal-cultureel werk 3 en 4, en toen een hbo Engels. Ik vraag wel eens aan de kinderen: welk niveau denken jullie dat ik heb gedaan? Havo, zeggen ze dan, of vwo, gymnasium. Als ik dan ‘nee’ zeg, vraagt er wel eens een: ‘Is er dan nog een hoger niveau?’ Dan zeg ik: ‘Nee, ik heb speciaal onderwijs gedaan, dus als ik het kan, kunnen jullie het ook.’”

Ben je dan niet té aardig?

„Nee, ik kan ook heel hard zijn, en ik ben heel consequent. Ik zie de leerlingen staan, en geef ze echt vertrouwen. Maar als ze fout zitten, geef ik ze er ook verbaal van langs. Ik hoef niet leuk gevonden te worden. Rechtvaardigheid staat op nummer één. Als je fout zit, krijg je het te horen, maar als je goed zit zal ik het voor je opnemen.

„Je komt niet veel docenten tegen die écht het verschil willen maken. De enkeling die je tegenkomt als leerling, daar moet je op teren. Daar moet je voor gaan.”

    • Elsje Jorritsma