Al in 1996 ageerden zij tegen ‘witte privileges’. Wat zeggen ze nu?

Identiteitspolitiek Twintig jaar geleden claimde een groep Surinaams-Nederlandse politici in Amsterdam-Zuidoost meer zeggenschap in het bestuur. Wat heeft dit Zwart Beraad bereikt? Oud-leden blikken terug. „We hadden zoveel verder kunnen zijn.”

Foto Frits Meyst

Radicaal waren ze – en niet zo’n beetje ook. Het leven in de Bijlmer was als op „een plantage”, „een zwarte meerderheid met een wit bestuur”. Er was een „sociale oorlog” aan de gang, die niet zomaar zou ophouden. En zwarte bewoners die samenwerkten met het bestuur? „Opperslaven”.

Het was 1996, lang voordat het huidige debat over racisme en ‘witte onschuld’ losbarstte. Van anti-Zwarte Piet-protest had nog nooit iemand gehoord. Maar in Amsterdam-Zuidoost, het hart van de Surinaams-Nederlandse gemeenschap, zorgde een groep activistische deelraadsleden en ambtenaren voor rumoer. Ze eisten meer ‘zwarte’ vertegenwoordiging in het bestuur en de ambtenarij – en een rigoureuze bestrijding van racisme en discriminatie. Ze noemden zich het Zwart Beraad.

Dit was nieuw in Nederland: nooit eerder was een etnische groep zo luidruchtig voor zichzelf opgekomen. Bestuurders in Zuidoost en in het Amsterdamse stadhuis werden nerveus, journalisten kwamen naar de Bijlmer om te schrijven over de nakende zwarte opstand. Het beraad schermde met de oprichting van een eigen politieke partij. Een van de leden kreeg zelfs bezoek van de veiligheidsdienst BVD.

Voor de een waren ze pioniers en een onmisbare stap in de emancipatie van zwarte Nederlanders. De ander vond ze een club zonder achterban, die op een gevaarlijke manier langs etnische lijnen dacht. Hoe dan ook: in de huidige maatschappelijke discussie over racisme en ‘witte privileges’ klinken duidelijk echo’s van het Zwart Beraad.

Geuzennaam

Vanaf de winter van 1996 kwamen ze bij elkaar in partycentrum Liberty in de flat Hoptille, iedere vrijdagavond. De harde kern van het Zwart Beraad bestond uit zeven mannen en een vrouw. Twee waren ambtenaar, de rest zat in de deelraad van Amsterdam-Zuidoost, voor PvdA of GroenLinks. De geuzennaam ‘Zwart Beraad’ kozen ze toen ze een kop lazen in Het Parool: „Zwart beraadt, wit beslist”.

De aanleiding voor de oprichting was een Europese miljoenensubsidie voor verbetering van het leefklimaat in de Bijlmer. Voor de verdeling van dat geld had het stadsdeel vrijwel volledig ‘witte’ commissies benoemd. Dat leidde tot grote onvrede bij zwarte politici en ambtenaren, onder wie het al langer broeide. In de Bijlmer waren Surinaamse, Antilliaanse en Afrikaanse Nederlanders ruim in de meerderheid – maar in het bestuur zag je dat niet terug. „De koek”, zegt Henry Dors, „werd niet gelijk verdeeld.”

Henry Dors: „Onze krachttermen waren de enige instrumenten die we hadden.” Foto David van Dam

Dors is een milde man met uitgesproken opvattingen. In de discussie over minderheden is hij zijn tijd vaak vooruit geweest. Al in de jaren tachtig protesteerde hij tegen het woord ‘allochtoon’ en over Zwarte Piet zei hij in 1990 in een interview met NRC: „Die tackelen we wel, dat is een kwestie van een paar jaar, dan houdt het op.”

Als gepromoveerd onderwijssocioloog en PvdA-raadslid bewoog Dors zich vooral in de wereld van de adviesraden en onderzoeksinstituten. Toch trad hij in 1996 toe tot het Zwart Beraad. De provocerende toon van de club was nodig om bestuurders in beweging te krijgen, vond hij. „De witte bestuurders schrokken daarvan, want tot die tijd waren Surinaamse Nederlanders brave meelopers geweest.”

De marginale positie van Nederlanders uit de voormalige koloniën in de West had volgens het Zwart Beraad een duidelijke oorzaak: racisme. Hun analyse was dezelfde als die van hedendaagse activisten als Sylvana Simons en Anousha Nzume: witte Nederlanders zeggen wel dat ze tolerant en kleurenblind zijn, maar daarachter gaat onverdund racisme schuil.

„In het onbewuste handelen van witte bestuurders zag je white supremacy”, zegt Renate Hunsel. „Bij de benoeming van een schoolhoofd verkozen ze de witte sollicitant boven de zwarte. Ik vroeg waarom. We doen het op basis van kwaliteit, zeiden ze. Nou, dan beledig je mij tot in mijn vezels.”

Renate Hunsel: „Ik vond dat witte ambtenaren en bestuurders eerlijk moesten zeggen waarom ze ons niet wilden.” Foto David van Dam

Hunsel, een Surinaamse die opgroeide op Curaçao, leidde in die jaren een naschoolse opvang in de Bijlmer en was deelraadslid voor GroenLinks. Ze was de enige vrouw in het Zwart Beraad en ze speelde een sleutelrol in het gezelschap. Ook Hunsel vond het tijd voor een confronterende aanpak. „Ik vond dat witte ambtenaren en bestuurders eerlijk moesten zeggen waarom ze ons niet wilden. En met ‘ons’ bedoel ik zwarte mensen.”

Het was een bonte club, het Zwart Beraad. Je had mensen als Hunsel, die graag scherp uit de hoek kwamen. Je had Dors, de bedachtzame intellectueel, en Krish Kanhai (PvdA), een arts van Hindoestaans-Surinaamse komaf die veel aanzien genoot in de Bijlmer. Dan was er nog Swan Tjoa, een ambtenaar van Chinees-Indische komaf die gold als de ideoloog van het gezelschap. En Gin Sanches, de secretaris, de man die de weg kende in de ambtelijke papiermolen en beleidsstukken schreef.

Ze vonden elkaar in de strijd voor een ingrijpende ‘multiculturalisatie’ van stadsdeel Zuidoost. Concreet betekende dat: méér zwarte bestuurders en ambtenaren. Te beginnen met de post van stadsdeelvoorzitter, de ‘burgemeester van de Bijlmer’, die tot dan toe altijd bekleed was door een witte bestuurder. Ze maakten ook plannen voor onderwijs, schuldhulpverlening en stedelijke vernieuwing.

Hun tegenstanders, zegt Renate Hunsel, verweten het Zwart Beraad te streven naar zwarte dominantie in de Bijlmer. „Maar dat was niet zo. Het ging ons om de balans. Ik vind het onverteerbaar als de ene groep de andere onderdrukt – ook als het zwarte mensen zijn.”

In oktober 1996 gaf het Zwart Beraad een spraakmakend interview aan De Groene Amsterdammer. Daarin omschreven de leden de situatie in de Bijlmer als een tikkende sociale tijdbom: als er niet snel wat veranderde, zou er opstand uitbreken. Ze uitten, deels anoniem, radicale en dreigende taal. „Ik wil niet meer op vragen van witten reageren. Ik stel eisen”, zei iemand. Een ander: „We propageren geen geweld, maar ik sluit het niet uit.” De PvdA-leider in Amsterdam-Zuidoost, Wouter Gortzak, werd vergeleken met P.W. Botha, de voormalige president van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime: „een witte koloniale boer”.

Spijt van die uitlatingen hebben de leden van het Zwart Beraad nog altijd niet. „Mensen vonden het interview polariserend”, zegt Renate Hunsel. „Maar wit had zwart allang tegen wit opgezet. Door racistisch te zijn. We lieten alleen zien: zo gaat het hier.” Henry Dors: „Onze retoriek, onze krachttermen waren in feite de enige instrumenten die we hadden.”

Stadsreiniging

Na een paar maanden kregen ze op het Amsterdamse stadhuis door dat het broeide in de Bijlmer. Zeker toen zwarte medewerkers van de stadsreiniging dreigden een aparte personeelsvereniging op te richten, omdat ze zagen dat hun witte collega’s sneller promotie maakten. Wethouder Jaap van der Aa, de sterke man van de PvdA in het college, besloot zich er persoonlijk mee te bemoeien.

In de jaren erna kwamen er meer zwarte ambtenaren, onder wie de eerste zwarte stadsdeelsecretaris in Zuidoost. Bij de verkiezingen van 1998 verdubbelde het aantal deelraadsleden met een etnische achtergrond. Namens het Zwart Beraad kregen Renate Hunsel en Gin Sanches zitting in commissies die gingen over de verdeling van de EU-gelden.

Lees ook het artikel dat NRC in 1998 schreef over de invloed van het Zwart Beraad op de Bijlmer: Volop kleur in de politiek

En er kwam inderdaad een zwarte stadsdeelvoorzitter, de eerste zwarte ‘burgemeester’ van Nederland. De toen nog almachtige PvdA schoof Hannah Belliot naar voren, een invloedrijke figuur in het onderwijs en welzijnswerk in Zuidoost.

Je zou zeggen dat de komst van Belliot een triomf was voor het Zwart Beraad. Maar zo werd dat niet ervaren. Belliot was gevraagd door de witte PvdA’er Gortzak, en weigerde politiek te bedrijven op basis van etniciteit. „Ook voor witte Nederlanders wil ik een bindende factor zijn”, zei ze in een interview. Dat maakte haar in de ogen van veel Zwart Beraders een ‘token’: een zwarte die zich laat gebruiken om goede sier te maken.

Renate Hunsel vindt dat nog steeds, twintig jaar later. „Kijk, van een blanke weet je: van jou hoef ik niets te verwachten. Bij een zwarte denk je: dat is een sister. Maar Belliot deed niets voor ons. Ik heb tien keer liever een wit persoon die weet wanneer hij opzij moet stappen, dan een zwarte die dat niet doet.”

Hannah Belliot haalt haar schouders op bij het ‘token’-verwijt. „Tokens zijn wél succesvol. Ik hoop dat de helft van Afrika een token wordt, dan komen we nog eens ergens.”

De malaise in de zwarte gemeenschap, zegt Belliot, kwam niet door racisme van witte bestuurders maar door schrijnende sociaal-economische achterstand. „De Bijlmer was destijds echt een getto. Er was gigantische werkloosheid. De binnenstraten van de flats waren onbegaanbaar door de junks, er werd gescheten in de trappenhuizen. Jonge jongens werden als drugskoeriers ingezet op de metro.”

Filosoof Kwame Anthony Appiah vindt dat mensen zichzelf ten onrechte reduceren tot hun nationale, religieuze of ras-identiteit. Lees ook het interview met hem: ‘Je moet je identiteit vederlicht dragen’

De komst van Belliot betekende het einde van het Zwart Beraad. De club was al verzwakt door het overlijden van de informele leider Kanhai. Maar nu het belangrijkste doel, de ‘zwarte burgemeester’, was bereikt, viel de groep helemaal uiteen. Een deel, onder wie Hunsel, bleef zich verzetten tegen Belliot. Anderen, zoals Henry Dors, groeiden uit tot een steunpilaar voor haar. „Als ‘burgemeester’ heeft ze laten zien dat ze eigen opvattingen had over de ontwikkeling van de Bijlmer”, zegt Dors. „En ze kon ook luisteren naar anderen.”

Transformatie

In de jaren die volgden zou de Bijlmer een ingrijpende transformatie ondergaan. De junks verdwenen, flats maakten plaats voor laagbouw, het gebied rond station Bijlmer werd een succesvol winkel- en uitgaanscentrum. Het getto van weleer is een aantrekkelijk stadsdeel geworden. Er is minder segregatie en meer diversiteit.

Maar hoe is het twintig jaar later gesteld met de positie en invloed van de zwarte gemeenschap? Daar zijn de oud-leden van het Zwart Beraad somber over. „In Zuidoost krijgen slimme zwarte kinderen nog steeds te horen: je hoeft niet naar het vwo”, zegt Gin Sanches.

Gin Sanches: „Slimme zwarte kinderen krijgen nog steeds te horen: je hoeft niet naar het vwo.” Foto David van Dam

„We hadden zo veel verder kunnen zijn,” zegt Renate Hunsel, die sinds een jaar of tien weer in Suriname woont. „Witte mensen op sleutelposities zijn nog steeds onvoldoende doordrongen van de positie van zwarte mensen. Schuilt er in elke witte een racist? Als het niet zo is, waarom zijn zwarte mensen dan al tig jaar bezig racisme te bestrijden?”

Sanches: „Aan de andere kant: in de Zwarte Piet-discussie zijn veel witte mensen publiekelijk overstag gegaan. Er verandert wel iets.”

Hannah Belliot ziet in de zwarte gemeenschap „individuele hoogstandjes, maar geen collectief succes”. Ze wijst erop dat er voor het eerst in meer dan twintig jaar geen Tweede Kamerleden van Surinaamse of Antilliaanse komaf zijn. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart dit jaar, zegt Belliot, was bij sommige stembureaus in Amsterdam-Zuidoost de opkomst „om te kotsen zo laag”.

Henry Dors vindt Nederlanders uit de voormalige koloniën „mondiger geworden, zich bewust van hun mogelijkheden.” Maar hij ziet ook iets merkwaardigs: qua emancipatie lijken ze voorbij te worden gestreefd door andere etnische groepen – met name Turkse en Marokkaanse Nederlanders. „En dat terwijl ze het voordeel hebben dat ze taal en cultuur van de witte Nederlander van huis uit kennen.”

Hoe dat komt? Dors zegt voorzichtig dat het „haast wel met het slavernijverleden te maken” moet hebben. Hunsel is stelliger: „Gekoloniseerd zijn is niet in één generatie verdwenen.” Ze rekent dat niet alleen de witte meerderheid aan. „Ik ben ook boos op mijn eigen mensen. Ze hebben nog altijd zo’n houding van: dit is nou eenmaal hoe witte mensen zijn.”

Quote 500

Belliot is een andere mening toegedaan: ze vindt dat de zwarte gemeenschap bij zichzelf te rade moet gaan. „Ze zijn niet gericht op economische kracht maar op identiteit. En met identiteitspolitiek kom je nooit en te nimmer vooruit. Het levert geen geld op, alleen conflicten.”

Natuurlijk is er nog steeds racisme, zegt Belliot. „Maar dat moet je niet via de politieke weg bestrijden. Gelijkheid staat al in artikel 1 van de Grondwet. De enige oplossing is doekoe maken, in de Quote 500 komen. Als je bezit hebt, dan tellen kleur en achtergrond niet meer.” Ze had niet gedacht dat ze dit als PvdA’er ooit zou zeggen: „Laat zwarte mensen bij de VVD gaan en het marktdenken omarmen, als dat goed voor ze is.”

Henry Dors is geen voorstander meer van identiteitspolitiek, al klinkt dat misschien vreemd uit de mond van een oud-Zwart Berader. Voor het activisme van hedendaagse zwarte politici als Sylvana Simons loopt hij niet bepaald warm. „Mensen voelen zich persoonlijk aangesproken. Maar je moet de boodschap zo brengen dat de witte man van middelbare leeftijd niet denkt: nu word ik verantwoordelijk gehouden voor iets dat structureel is.”

Met dank aan Jessica Dikmoet van Imagine IC.
    • Thijs Niemantsverdriet