Recensie

Beatrice de Graaf over het Europa dat Napoleon achterliet

Beatrice de Graaf

In haar nieuwe boek beschrijft historicus De Graaf nauwkeurig hoe na 1815 behoudzucht en innovatie, eigenbelang en internationale samenwerking tot een stabiel Europa leidden.

Op het Congres van Wenen in 1815 verdelen de Europese vorsten Europa. (Gravure uit Musée Carnavalet) Illustratie Christophel Fine Art/UIG via Getty Images

Hoewel de Franse Revolutie een buitengewoon bloedige affaire was – waarbij niet alleen aristocraten maar ook priesters en arme katholieke boeren bij bosjes werden vermoord – en Napoleon vervolgens een dictatuur vestigde en Europa in een reeks oorlogen stortte die miljoenen mensen het leven kostte, heeft de periode die hierop volgde een veel slechtere naam. De Restauratie, zoals de decennia na 1815 vaak worden aangeduid, zou een buitengewoon naargeestige periode zijn geweest, waarin de oude gezagsverhoudingen weer waren hersteld en elk streven naar vrijheid en democratie hardhandig de kop werd ingedrukt. Met behulp van het spookbeeld van revolutie en terreur wisten machthebbers als de Oostenrijkse kanselier Metternich, tsaar Alexander I, de Engelse hertog van Wellington en de Franse premier Richelieu alle vernieuwing tegen te houden.

Dit is de teneur van De fantoomterreur. Revolutiedreiging en de onderdrukking van de vrijheid, 1789-1848 (2015) van bestsellerauteur Adam Zamoyski. Hierin wordt een heel nummer gemaakt van de politieke repressie, de vele verklikkers en spionnen, de censuur en andere kwalijke zaken die kenmerkend zouden zijn voor de Restauratie. Dat de toenmalige machthebbers redenen hadden om op hun hoede te zijn, dat ze er terecht weinig voor voelden om opnieuw bloedbaden als de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen mee te maken, is iets waar Zamoyski geen oog voor had. De Russische tsaar, Metternich, Wellington en anderen waren tegen de democratie, dus deugden ze niet en was hun streven naar orde en veiligheid absoluut niet pluis.

In Tegen de terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon wijst Beatrice de Graaf er terecht op dat dit een onhistorische benadering is. Niet alleen beoordeel je het verleden met een maatstaf die aan het heden is ontleend, maar bovendien vergeet je in welke chaos en ellende Napoleon dit continent in 1815 had achtergelaten. Het belangrijkste is echter, dat je hierdoor blind bent voor het unieke karakter van deze periode en niet ziet dat er toen een opmerkelijke prestatie werd geleverd.

Stabiliteit

In tegenstelling tot wat Napoleon had verwacht, dat Europa na zijn val zou ‘verschrompelen’ tot een onmachtig continent dat verlamd werd door onderlinge rivaliteit en kinnesinne, wisten de overwinnaars van 1815 de animositeit te overwinnen en samen te werken. Dit leidde niet alleen tot vreedzame co-existentie van de Europese mogendheden, maar ook tot stabiliteit in de verschillende landen – om te beginnen in het door de geallieerden bezette Frankrijk. De Geallieerde Raad die werd opgericht bracht na het tumult van revolutie en oorlog met behulp van in een Pruisen ontwikkelde bureaucratie weer rust in dit land. Tegelijkertijd werd er een permanent internationaal overleg geïnstitutionaliseerd, dat ervoor zorgde dat onderlinge spanningen tussen de verschillende staten werden gekanaliseerd en gedempt. De Graaf noemt dit een ‘eerste experiment van gezamenlijk en geïnstitutionaliseerd veiligheidsmanagement’, dat ‘de basis legde voor het latere Europese systeem van collectieve veiligheid zoals we dat vandaag nog kennen’.

Dit wilde niet zeggen dat er vanaf dat moment sprake was van een rechte, opgaande lijn, want deze internationale samenwerking verwaterde spoedig. Ook maakt De Graaf duidelijk dat de grote mogendheden – naast Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen en Rusland werd ook Frankrijk weer snel toegelaten tot de eredivisie – vooral gevestigde belangen verdedigden. Democratische ontwikkelingen werden afgeremd, het handhaven van een hiërarchische samenleving en de bestaande bezitsverhoudingen stond voorop, en aan hun overwinning op Napoleon ontleenden ze een superioriteitsgevoel dat hen schijnbaar het recht gaf andere landen de les te lezen en onder de duim te houden. Dit laatste uitte zich onder meer in het imperialisme, dat vooral na 1815 sterk opkwam.

Expansie en verovering waren prima, maar dan wel buiten Europa. Daarbinnen stonden stabiliteit en saamhorigheid voorop. Er werd gesproken van ‘het concert van Europa’, wat harmonie en het vermijden van uitbarstingen en dissonanten impliceerde. In het internationale verkeer ging het om moderatie en overleg, terwijl binnen de samenleving fatsoen, moraal en orde centraal stonden. Toch betekende dit allesbehalve een terugkeer naar het ancien régime, aangezien er zowel in de internationale betrekkingen als in het landsbestuur sprake was van een vergaande modernisering. Hoewel de conservatieve agenda onmiskenbaar was, leefde bij de Europese machthebbers heel sterk het besef dat ze wel met hun tijd moesten meegaan en dat vasthouden aan oude vormen van bestuur en diplomatie onmogelijk was.

Terrorismebestrijding

Volgens De Graaf waren de overwinnaars van 1815 hun tijd vooruit, omdat ze doordrongen waren van het belang van Europese samenwerking. Een idee dat met de opkomst van het nationalisme en de verheerlijking van de natiestaat al spoedig op de achtergrond raakte, waardoor in de tweede helft van de negentiende eeuw de internationale rivaliteit sterk toenam.

Dit is een vrij overtuigend verhaal, al ontkom je niet aan de indruk dat ook De Graaf deze periode toch ook sterk bekijkt door een bril die is geslepen door hedendaagse preoccupaties, in haar geval terrorisme en terrorismebestrijding. Er speelden in die jaren echter ook veel andere kwesties een rol. En waar Zamoyski het gefnuikte streven naar vrijheid en democratie wat al te veel benadrukte, verdwijnt dit bij De Graaf vrijwel geheel uit beeld. Waar Zamoyski de donkere wolken boven Europa te sterk aanzet, schijnt bij haar de zon soms iets te uitbundig.

Wellicht wordt dit ten dele veroorzaakt doordat ze zich in dit boek bezighoudt met een ander tijdvak dan in haar eerdere werk. Hoewel ze grondig onderzoek heeft gedaan naar haar eigenlijk onderwerp, zijn haar opmerkingen over de context soms iets minder trefzeker. Zo wordt in verband met de aanslag op Wellington, in februari 1818, een zekere Louis Joseph Stanislas Marinet ten tonele gevoerd, die ter dood zou zijn veroordeeld omdat hij tijdens de Honderd Dagen – de periode tussen Napeleons ontsnapping van Elba en de Slag bij Waterloo – als advocaat was blijven werken. Dat lijkt vreemd, omdat er dan waarschijnlijk wel heel veel advocaten ter dood zouden zijn veroordeeld. Martinet was echter auditeur bij de Raad van State, en aangezien die min of meer fungeerde als het kabinet van Napoleon, was hij wel iets meer dan zomaar een jurist. Het is een slordigheid, maar samen met de gebrekkige eindredactie van de uitgever doet dit wel enige afbreuk aan een interessant en waardevol boek.

    • Rob Hartmans