Van de bank naar het buurthuis

Eritreeërs in Nederland

Eritreeërs hebben moeite met integreren. In buurtcentrum Gezana kunnen ze samen eten en praten. Het is een eerste stap.

Eritreeërs in buurthuis annex huiskamer Gezana in Rotterdam. Eritreeërs zijn volgens het SCP „weinig vertrouwd met Nederland”. Foto’s Merlin Daleman

Het lijkt een gewoon huizenblok in een doorsneestraat in het centrum van Rotterdam. Maar als je de deur open doet, sta je in Eritrea. Nou ja, bijna dan. In het voormalige sportzaaltje is het eten Eritrees, de muziek, op de muur schilderingen van Eritrese dorpjes. Twee glimmende Italiaanse biljarttafels, waarop een spel gespeeld wordt met ballen en pionnen dat de Italianen ooit in Eritrea introduceerden, staan naast het rookhok. De geur van gekruid en gestoofd vlees. De thermostaat op 23 graden.

We zijn in Gezana, ‘Ons Huis’ in de officiële taal Tigrinya. Een kruising tussen een buurthuis en een huiskamer. De bezoekers zijn allemaal Eritreeër. Jonge mannen met zorgvuldig opgeknipte kapsels kaarten in groepjes. Vrouwen in lange, geplooide jurken praten samen terwijl ze stukjes injera (Eritrese pannekoek) afscheuren. Ouderen drinken koffie aan de bar. Een paar kinderen spelen tussen de tafeltjes. In de ochtend was er Tigrinya-les. Op zondagen is het in Gezana altijd druk.

Het gaat niet goed met de Eritreeërs in Nederland, bleek deze maand uit een kwalitatief rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Hulpverleners signaleerden dat al eerder. Voor Eritreeërs afkomstig uit een dictatoriale, patriarchale, rurale samenleving is de overstap naar het Nederlandse leven immens. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar de meeste van de zo’n 17.000 (veelal jonge) Eritreeërs die de afgelopen jaren asiel kregen, hebben weinig contact met Nederlanders. Ze zijn veelal laagopgeleid, hebben grote moeite met de taal, en al helemaal met het volgen van een opleiding of werken. Ze zijn, formuleerde het SCP zorgvuldig, „weinig vertrouwd met Nederland”.

Lusteloos na een gevaarlijke reis

Kelati Berhane (53) – strak in pak – zag dat en baalde ervan. Berhane is sinds 1989 in Nederland en heeft nog steeds spijt dat hij toen niet is gaan studeren. Hij ziet landgenoten die de moed hadden om familie en vrienden achter zich te laten en de kracht hadden om een gevaarlijke en lange reis te overleven, nu lusteloos op de bank hangen. Een deel raakte alcohol- of gokverslaafd. Om de Eritreeërs uit huis te krijgen, begon Berhane een jaar geleden Gezana.

Je kunt je afvragen of het wel zo’n goed idee is om Eritreeërs samen te brengen als ze toch al moeilijk hun weg vinden in Nederland. Berhane ziet dat anders. Dit is een eerste stap, zegt hij. „Als ze hier komen, zitten ze niet op de bank. We schenken hier bewust geen alcohol, dus drinken ze koffie of thee. Ze kunnen voor weinig geld Eritrees eten. En ze kunnen met elkaar praten.”

Berhane hoopt dat ze af en toe ook over de verschrikkingen van hun vlucht vertellen, zodat ze die een beetje verwerken. „Er komen hier ook jongens en meisjes die het goed doen. Die kunnen een rolmodel zijn. En mensen die hulp nodig hebben, worden geholpen.”

Die hulp wordt onder meer geboden door maatschappelijk werker Oumar Ly. Hij is de enige niet-Eritreeër die regelmatig in Gezana te vinden is, Ly werkt er vrijwillig. Stichting Gezana krijgt geen subsidie, al maakt Berhane plannen om die aan te vragen. Ly spreekt geen Tigrinya maar ziet dat juist als een voordeel. „Ik kan helpen, maar ik help in het Nederlands.”

Ly helpt met het papierwerk, de bureaucratische procedures die een ramp zijn voor elke net gearriveerde vluchteling die direct zelfredzaam dient te zijn. Ly: „Het is in Nederland goed geregeld, maar je moet van alles aanvragen en alles gaat schriftelijk. Een uitkering, toeslagen, teruggave afvalstoffenheffing. Als je dat niet doet, kom je in de problemen. Heb je eenmaal schulden, dan kom je er bijna niet meer uit.”

Het gaat niet goed met Eritreeërs in Nederland. Lees het artikel Problemen van Eritrese vluchtelingen: angst, alcohol, frustratie, geweld.

Alles is in het Nederlands, zegt Berhane. „Als je naar het gemeentehuis gaat, moet je je eigen tolk meenemen. Die kan je toch niet bij de supermarkt halen?”

Henok Gebreselasie (41), penningmeester van Gezana, komt erbij zitten. „Eritreeërs hebben moeite met plannen”, zegt hij. „In Nederland moet je dat juist extreem goed kunnen.”

Berhane: „Het is net als een voetbalteam. Je moet ze vasthouden en kneden.”

Ly: „Als ze je vertrouwen, kan je heel goed met ze werken.”

Er is één belangrijke afspraak in Gezana: Over politiek wordt niet gesproken. Ly: „Laatst was de president op de televisie. Dat wilden een paar jongens graag zien. Maar dat doen we niet. Dan kijken ze maar op hun telefoon.”

Rol Eritrese overheid ligt gevoelig

Ook het SCP koos ervoor om geen vragen te stellen over de invloed van de Eritrese overheid op hun leven. Het ligt te gevoelig. Veel van de recent gearriveerde vluchtelingen hebben weinig op met het huidige regime, maar dat geldt weer niet voor iedereen. Onder eerdere groepen Eritrese vluchtelingen zijn mensen die juist (nauwe) banden hebben met het regime. De Eritrese overheid probeert via hen welgezinde Eritreeërs in het buitenland belasting te innen.

Ook in Nederland worden Eritreeërs onder druk gezet om een paar procent van hun inkomen naar de Eritrese overheid overmaken. Ly: „Ik hoor dat wel eens en vraag dan waarom ze dat doen. Ze willen familie in Eritrea niet in gevaar brengen, zeggen ze.” Ly laat het er verder bij.

De groep jonge Eritreeërs die in de hoek zit te kaarten, heeft samen gevoetbald. Dat doen ze elke zondagochtend. Kleding en schoenen worden gesponsord. Ze schudden verlegen hun hoofd als gevraagd wordt of ze een paar vragen willen beantwoorden. Hun Nederlands is niet goed genoeg. En ze durven echt niet met hun volledige naam in de krant, daar krijg je alleen maar gedoe mee.

Schuchter gaat de 19-jarige Tesfaiset aan het tafeltje zitten. Hij vertelt over zijn reis, hij vertrok op zijn vijftiende. „Je weet: óf het lukt, óf je gaat dood.” Het lukte hem. In het asielzoekerscentrum wilde hij aanvankelijk niks. Hij voelde zich leeg. „Ik ging ook niet naar Nederlandse les. Ik begreep er toch niets van.” Na drie maanden zette hij de knop om. „Als ik wat van m’n leven wil maken, moet ik Nederlands leren. Dat besefte ik toen.” Hij studeert nu voor ICT-medewerker op het mbo. „Ik ben een toekomst aan het opbouwen.”

Eenmaal in Nederland vroeg hij gezinshereniging aan voor zijn vader, die hij nauwelijks kende. Zijn vader had in Eritrea in het leger gezeten en was naar Israël gevlucht. Eenmaal in Nederland klikte het niet. Hij denkt nog helemaal Eritrees, vertelt Tesfaiset. „Hij houdt er niet van tegengesproken te worden.” Ze wonen nu apart.

NRC ging op pad met vrijwilligers die Eritreeërs bijstaan

Nutteloze oorlog

Een oudere Eritreeër (72) aan de bar wil best over zijn leven vertellen. Maar hij wil niet met zijn naam in de krant, roept hij over zijn schouder. Hij reist af en toe naar Eritrea en dat wil hij graag blijven doen, legt hij later uit. Dan moet je oppassen wat je zegt, je staat zo op een zwarte lijst.

Hij had willen terugkeren op zijn oude dag, vertelt hij. „Het is zo’n schitterend land. Mooi weer, prachtige natuur. Melotti-bier en de Eritrese schoenen hadden wereldberoemd kunnen zijn, zonder internationale sancties en oorlog met Ethiopië.” „Die nutteloze oorlog met Ethiopië”, zucht hij. „Wij Eritreeërs zeggen: twee kale mannen die om een kam vechten.”

Hij ziet te veel jonge Eritreeërs in Nederland die eten, spelen, ouwehoeren en slapen, zegt hij enigszins zuur. „En de volgende dag weer opnieuw.” Hij kijkt rond. Zelf studeerde hij in Nederland, hij heeft zijn hele leven in onder meer de scheepvaart gewerkt. Dat zou hij de jongeren ook aanraden. En: „Leer nadenken en wees trots!”

De oude Erireeër wordt op zijn wenken bediend. Een paar tafeltjes verderop zitten Fitsum Fisseha (26) en Asrat Tefere (29). Ze zijn nog maar enkele jaren in Nederland, spreken behoorlijk de taal, zijn open en vrolijk en vinden het prima om met hun naam in de krant te staan.

Ze werken beiden vrijwillig als tolk en werken (Fisseha) of zijn druk op zoek naar werk (Astat). Ook bijzonder: Ze zitten met twee Nederlandse jonge vrouwen in Gezana. Tamara Hussein (22) werkte als stagiaire bij Vluchtelingenwerk en leerde hen zo kennen. Ze nam haar zus Laura mee, toen de mannen haar uitnodigden voor een maaltijd. Injera eten ze voor het eerst. „Wat vind je ervan?”, vraag Fisseha. „Heerlijk!”, zeggen ze.

De mannen hebben ook een keer bij hen thuis gegeten. Tamara Hussein: „Ik vind het leuk om verschillende mensen te leren kennen. Je leert van elkaar. Jammer dat veel Nederlandse jongeren zo in hun eigen kringetje zitten. Wij kennen de taal. We kunnen hen helpen een stap te zetten. Als ik in het buitenland zou wonen, zou ik een beetje hulp ook fijn vinden.”

Correctie (3 december 2018): In een eerdere versie is een 72-jarige Eritreeër verkeerd geciteerd. Het citaat is aangepast.

    • Sheila Kamerman
    • Martin Kuiper