Iedereen die denkt dat hij of zij man, vrouw, wit of zwart ‘is’, heeft een probleem

Essay Michel Foucaults De geschiedenis van de seksualiteit is opnieuw vertaald. Vijfendertig jaar na zijn dood heeft het nog niet aan actualiteit ingeboet.

Foto AFP/ bewerking Fotodienst NRC

Het denken van Michel Foucault is actueel, en de prachtige nieuwe vertaling van zijn latere werk over de geschiedenis van de seksualiteit door Jeanne Holierhoek komt op een goed moment. Foucault (1926-1984) is een van de meest prominente denkers in de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen. Volgens sommigen, zoals de eveneens Franse filosoof Gilles Deleuze, was hij de grootste denker van zijn tijd – en iets soortgelijks had Foucault al eens over Deleuze gezegd.

Zulke superlatieven waren niet zonder zelfspot, maar aan de andere kant staat de bloedserieuze manier waarop Foucault tegenwoordig door velen wordt verguisd. Zijn denken zou te complex zijn, het zou te veel gericht zijn op macht en te weinig ruimte voor de vrijheid van het subject laten, en het zou zelfs te weinig respect hebben voor de waarheid.

Foucault wordt door velen ter rechter zijde van het politieke spectrum gezien als ‘postmodern’ denker, en hij wordt als zodanig in verband gebracht met ‘cultuurrelativisme’, of met een fantoom als ‘cultuurmarxisme’. Hij zou bovendien mede verantwoordelijk zijn voor een hedendaagse crisis van de mannelijkheid. Dat zijn doorgaans luie veroordelingen die voortkomen uit een weigering zich te verdiepen in het denken van Foucault, maar toch heeft de actualiteit van zijn denken alles te maken met het type onenigheid dat tegenwoordig endemisch is in wat (alweer) ‘culture wars’ heten.

Op het spel daarin staan identiteiten als ‘man’ en ‘vrouw’, ‘wit’ en ‘zwart’. Veel critici van Foucault houden bijvoorbeeld vast aan een biologische verankering van ‘mannen’ en ‘vrouwen’. Ze denken, met andere woorden, dat chromosomen zich keurig in twee helder fixeerbare typen laten clusteren, en dat mannen en vrouwen geheel op die basis terug te voeren zijn.

De NOS geeft voortaan de voorkeur aan ‘wit’ boven ‘blank’. De zoveelste opgedrongen gedragsregel, vinden tegenstanders Lees ook: Hoe het woord ‘blank’ door de jaren heen is gebruikt

Daartegenover staan diegenen die de fluïditeit van gender benadrukken, en die, zoals de Amerikaanse filosofe Judith Butler, stellen dat ‘man/vrouw’ geen biologisch gegeven is maar een praktische performance van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Met andere woorden: vrouw of man is niet iets wat je bent, maar wat je doet. Natuurlijk zijn er biologische verschillen tussen mensen, alleen laten die zich niet tot twee helder afgebakende geslachten terugvoeren.

Iets soortgelijks geldt voor noties als ‘wit’ (in Nederland strategisch geneutraliseerd tot ‘blank’) en ‘zwart’, omdat verschillen in huidskleur niet op achterliggende ‘rassen’ terug te voeren zijn. De meeste witte mensen die geneigd zijn op hun ‘roze’ huid te wijzen, hebben zich niet verdiept in de betekenis van witheid als machtsvorm: wit ‘ben’ je niet, maar in witheid kun je wel participeren, zelfs als je denkt dat je ‘zwart’ bent. Zo kunnen ook veel vrouwen masculiniteit in stand houden of zelfs bevorderen, zoals in sommige versies van het ‘vrouwen in topposities’-feminisme.

Foucaults werk is zeker van invloed geweest op een aantal posities in deze actuele strijd. Wie wil begrijpen hoe, moet zijn werk filosofisch situeren.

De mens een eenheid

Foucaults werk draait om een klassiek filosofisch thema: de relatie tussen subject en waarheid. Minstens sinds Descartes heeft de westerse filosofie de mens gezien als een subject, als een zelfbewust wezen dat gekenmerkt wordt door kennis over een wereld van objecten, dat zichzelf als eenheid ervaart. Dat subject kon opgevat worden als primair denkend wezen (bij Descartes) of als waarnemend wezen (bij Locke of Hume), of als een combinatie van de twee (zoals bij Kant). Het subject kon ook breder gezien worden in een dialectische beweging met de objectieve wereld, waarin het een het ander voortbracht via productieve tegenstellingen (zoals bij Hegel).

Maar bij de grote denkers van de negentiende eeuw stond het subject onder verdenking. Bij Nietzsche vormt het subject geen eenheid maar een veelheid aan effecten en activiteiten. Bij Marx is het subject een bourgeois categorie die de mens vervreemdt van zijn sociale, arbeidende wezen. En bij Freud wordt het subject gespleten en blijkt het door driften en het onbewuste gekenmerkt te worden.

Verschillende filosofen in de twintigste eeuw (Wittgenstein, Heidegger, Derrida) hebben deze ‘decentrering van het subject’ verder gevoerd, en Foucault opereert analoog daaraan, maar dat betekent ook dat hij op een ander spoor zit in zijn kritiek op het subject.

Dit boek gaat over zowel het persoonlijk leven als het denken van vier van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw, in een decennium waarin de filosofie zich op een tweesprong bevond. Lees ook: De toverjaren van de Duitstalige filosofie

‘Kritiek’ is hier bedoeld in de zin waarin Immanuel Kant de term gebruikte: als een onderzoek naar mogelijkheidsvoorwaarden. Foucault is, met andere woorden, geïnteresseerd in de voorwaarden voor het ontstaan van een subject. En hij zoekt die voorwaarden niet in het bewustzijn, niet in de rede en niet in de universele vorm waarop menselijke zintuigen werken. De stap die Foucault zet, is een ‘pragmatische’: hij onderzoekt de sociale voorwaarden voor het ontstaan van subjecten. Bij Foucault is het subject een effect van praktijken. Dat wil zeggen: er ‘is’ bij Foucault geen subject, geen ahistorische, universele substantie of identiteit die ‘mens’ heet. In zijn vroege werk stelde hij daarom al dat ‘de mens’ in de moderniteit opkwam en weer zou verdwijnen.

Vanaf zijn boek over het ontstaan van de gevangenis, Surveiller et punir, voegt Foucault hier een cruciaal element aan toe. De relatie tussen macht en weten kwam centraal te staan. De manieren waarop mensen zich tot zichzelf en anderen verhouden, worden vormgegeven in een veld van krachten. Sommige critici zijn geneigd zoiets, een ‘veld van krachten’, als een vaag of abstract begrip te beschouwen. Toch zijn ze bereid dezelfde term te accepteren in de natuurwetenschap. De analogie is passend. Foucault neemt als filosoof de complexiteit van het sociale leven serieus, en stelt dat het vorm krijgt binnen wat hij een ‘microfysica van de macht’ noemt. De koepelgevangenis leidt tot een bestuur van gevangen door henzelf: macht werkt hier niet via de dreiging met geweld, maar via de werking van de norm waarmee subjecten zichzelf disciplineren omdat ze niet weten of ze door een bewaker gezien worden.

Een filosofische revolutie

In de oude filosofische relatie tussen subject en waarheid introduceert Foucault dus een extra speler: macht. Er is een triade van zelf, kennis en macht. Alles hierin hangt samen via praktijken. Talige praktijken, maar ook materiële praktijken, van stadsinrichting tot geneeskunde. Zo kan macht bij Foucault productief in plaats van repressief zijn. Macht maakt dingen mogelijk, en de wording van het subject vindt plaats via macht. Omdat macht altijd via het subject loopt en er niet extern aan is, is dat subject een bron van frictie en verzet. Foucault ontkent de vrijheid van het subject geenszins. Hij stelt juist dat die vrijheid mogelijk wordt door de manieren waarop macht het subject vormt. In de moderne, liberale bestuursvorm worden subjecten zelfs politiek gemobiliseerd op grond van die vrijheid, en worden ze geacht zich via vrijheid te besturen.

Met andere woorden: de meest fundamentele manieren waarop we over onszelf denken en waarop we ons tot anderen verhouden, zijn machtseffecten. Subjecten zijn knooppunten van machtsrelaties. Dat is een filosofische revolutie te noemen. Weg van de contemplatie van de geest, op naar de wirwar van praktijken waarmee mensen bestuurd worden. En weg met het universele subject!

Steeds pregnanter wordt dat witheid zijn vanzelfsprekende dominantie aan het verliezen is.

Foucaults denken is dus een obstakel voor mensen die denken dat ze man zijn, of dat ze vrouw zijn. En voor mensen die denken dat ze blank, wit of zwart zijn. Dat dat dingen zijn die je ‘bent’. Met Foucault gedacht zijn dat allemaal veranderlijke effecten, nooit universele gegevenheden maar altijd praktische producten van kennisvormen en arrangementen van ruimte, tijd, spullen, kapitaal, en lichamen.

Foucault zag daarom ook de geboorte van ‘de homoseksueel’ als historisch effect. Om precies te zijn dateert hij de ‘homoseksueel’ in 1870. Eerder was er seks in velerlei vormen, maar pas dan wordt ‘homoseksualiteit’ een medische categorie. Daarmee wordt het zowel een categorie van onderdrukking als van emancipatie en identificatie – want emancipatie kan alleen onder acceptatie van de categorie. Dat geeft te denken voor mensen die claimen met een specifieke seksuele oriëntatie ‘geboren’ te zijn. Want hetzelfde geldt natuurlijk voor de parallelle geboorte van de ‘heteroseksualiteit’.

Zo keren we terug bij de actualiteit van Foucault. Wat we momenteel meemaken is de overgang van een modern regime van subjectivering naar een nieuwe tijd. Steeds sterker wordt duidelijk dat mannelijkheid een overbodige vorm van subjectiviteit is. Steeds pregnanter wordt dat witheid zijn vanzelfsprekende dominantie aan het verliezen is. Witte mannen hadden, in termen van socioloog W.E.B. Du Bois een pact met kapitaal: je krijgt marginale voordelen (‘wit privilege’) als je je solidariteit met zwarte arbeiders verbreekt. De prijs die ze daarvoor betaalden was dat ze ‘wit’ werden, stelde James Baldwin al. Foucaultiaans gezegd: witheid is een historisch specifiek machtseffect. Tegenwoordig is het voor kapitaalaccumulatie niet langer nodig witte mannen daarin te laten delen om zo hun loyaliteit te kopen. Mensen schulden laten maken bindt ze op een goedkopere manier aan het bestaande economisch systeem. Witheid en mannelijkheid verliezen daarmee hun basis als bestuurs- en subjectiveringsvormen.

Witte mannelijkheid

Er zijn twee repertoires om daar mee om te gaan. Het ene bestaat uit consolidatie: vasthouden aan bestaande privileges. Daarbij hoort bijvoorbeeld het staan op Zwarte Piet als nationale traditie. Er hoort ook het geloof in de biologische basis van mannen en vrouwen bij, zoals uit de populariteit van een zelfhulpintellectueel als Jordan Peterson blijkt.

Het andere repertoire bestaat uit de gezamenlijke uitvinding van nieuwe levensvormen. Foucault begon als opgraver, maar eindigde als uitvinder. Hij ging te rade bij de klassiek Griekse traditie van de levenskunst, bij wat hij ‘zelfpraktijken’ noemt. Hij zocht daarin naar modellen om, zoals hij zei, ‘minder’ of ‘anders’ bestuurd’ te worden. Maar Foucault was geen politiek denker. Hij kon een neoliberale vorm van bestuur analyseren maar hij kon geen alternatief politiek model verbeelden. En hij had zijn blinde vlekken. Dat het moderne subject historisch veranderlijk is, had Foucault kunnen leren in de zwarte radicale traditie, bij Du Bois of Fanon. En Foucault, die voor ons de mogelijkheid geopend heeft voorbij het subject te denken en ons dus nooit meer te fixeren op een identiteit en die met alle geweld te verdedigen, bleef toch te zeer denken dat subjectivering ook werkelijk effectief was. Dat subjecten werkelijk tot stand gebracht werden, dat de wilde woekering die leven is zich tot geïndividueerde machtseffecten laat klonteren.

12 Rules of Life van de in nieuw-rechtse kringen populaire psycholoog Jordan B. Peterson is meer een zelfhulpboek dan cultuuranalyse. Lees ook de recensie: Handboek voor de gemankeerde man

Iedereen die denkt dat hij of zij man, vrouw, wit of zwart ‘is’, dat dat iets is wat je kunt ‘zijn’, heeft een probleem. Als je denkt subject te ‘zijn’, ben je politiek verloren. En misschien geloofde Foucault te veel dat subjectivering iets is dat werkelijk kan werken, dat subjecten werkelijk kan doen bestaan. Misschien zijn Jordan Peterson en al die andere epigonen van de voortzetting van witte mannelijkheid met andere middelen meer Foucaultiaan dan ze denken. Want misschien is Foucaults denken wel het meest subtiele effect van de orde van ons raciaal en patriarchaal kapitalisme: een denken dat onze wording als gebonden aan die orde beschrijft, dat ons doet geloven dat er subjectivering is, en dat die werkt.

We bevinden ons in een overgang waarin ‘man’ en ‘vrouw’ niet langer plausibele entiteiten zijn, en waarin witheid als dominantie aan plausibiliteit inboet. Als we in deze overgang werkelijk aan de creatieve uitvinding van nieuwe levensvormen willen doen, moeten we bereid zijn Foucault te vergeten. Pas wie zich bevrijd weet van de hele mogelijkheid subject te zijn, kan zich bevrijden van de noodzaak zijn subjectiviteit met geweld te consolideren.

    • Willem Schinkel