Luitist Christina Pluhar over oude muziek: „Ik denk dat onze moderne oren zich rot schrikken wanneer ze Monteverdi of Händel in diens eigen tijd zouden horen.”

Foto Marco Borggreve

‘Alle oude muziek is een moderne uitvinding’

Christina Pluhar, luitist Luitist Christina Pluhar en haar ensemble L’Arpeggiata banen zich eigenzinnig een pad door de oude muziek. Met dank aan de Nederlandse pioniers. „Zij gaven ons musici het kunstenaarschap terug.”

Jaren terug stuitte Christina Pluhar in het Parijse Grand Palais op het schilderij Las Meninas van Diego Velázquez, geflankeerd door een van de bijna zestig versies die Pablo Picasso er drie eeuwen later van maakte. „Ik zag en voelde de intieme verbondenheid tussen beide kunstwerken. Picasso leek iedere vierkante centimeter van Las Meninas te kennen, zoals een goede minnaar het lichaam van een geliefde. Hier sprak het verlangen de oude meester te doorgronden, maar niet door hem trouw te kopiëren. Integendeel, Picasso wilde zich deze Velázquez toe-eigenen.”

Lees over Las Meninas in dit artikel: Museum Prado in Madrid viert tweehonderdste verjaardag

Dit beeld symboliseert het dilemma van de oude muziek voor luitist Pluhar, die met haar ensemble L’Arpeggiata de afgelopen achttien jaar een eigenzinnig pad baande. „Zijn we schilders of restaurateurs? Poetsen we de partituren alleen op zodat de kleuren weer helder worden, of gaat het om iets anders? Iedereen moet die vraag voor zichzelf beantwoorden. Een eenduidige waarheid bestaat er niet, het schoonheidsideaal verandert voortdurend. Ik denk dat onze moderne oren zich rot schrikken wanneer ze Monteverdi of Händel in diens eigen tijd zouden horen. Wij musici zijn geen Picasso, die zich liet inspireren tot een nieuw kunstwerk, maar wel meer dan restaurateurs.”

Haar programma Händel goes Wild – waarmee ze dit weekend in Groningen en Utrecht optreedt – ontlokte kritiek in traditionele kringen want Pluhar ging in zee met jazzmusici, bijvoorbeeld klarinettist Gianluigi Trovesi. Album en concert vormen ongetwijfeld haar meest gedurfde zoektocht naar de grenzen van oude muziek en naar de herwaardering van musici als kunstenaars.

„Tot begin twintigste eeuw was improvisatie een ruggengraat van muziek. Toen verscheen componist Arnold Schönberg, die de fundamenten onder ons bestaan – ritme, harmonie – afbrak. Daarna volgden twee wereldoorlogen. Tot de jaren vijftig leefden we in het tijdperk van de dirigenten, de grote tirannen. De ademruimte verdween uit het orkest, dat in toonhoogte en geluidssterkte klom. Voor de Tweede Wereldoorlog speelden de strijkersgroepen nog gewoon op darmsnaren. Maar de klassieke tradities belandden op een dood spoor en de toekomst oogde bleek en duister.”

De oudemuziekbeweging bracht nieuw leven, vindt Pluhar. Dat gebeurde met name vanuit Nederland, waar de Oostenrijkse als student halfweg de jaren tachtig aan het Haags conservatorium een nieuwe vrijheid ontdekte.

„De pioniers van de oude muziek waren mijn leraren. Hun manier van zijn, denken en leven fascineerde me: hun wil om de muziek te ontdoen van de stofnesten en vraagtekens te zetten bij de in marmer gebeitelde wetten van musicologen. Hun houding kwam voort uit de flowerpower, ze stonden op podia in jeans, met lang haar. Ze tornden aan de naoorlogse wij-weten-alles-atmosfeer. En ze gaven ons musici het kunstenaarschap terug: de vrijheid composities te herscheppen, te improviseren, onszelf erin uit te drukken.”

Na de Haagse vrijheid kreeg Pluhar in Bazel een strenge musicologische opvoeding met grondig bronnenonderzoek als leidend beginsel, „een mooi mengsel waarvan ik nog altijd profijt trek”. Een tegenstelling die ook haar kinderjaren kenmerkten in de middeleeuwse stad Graz, in het zuiden van Oostenrijk, „een gek decor waar de traditie en het modernisme voortdurend botsten”.

Daar ontwikkelde ze al jong een oog voor de ongerijmdheden van het bestaan. „Een wijze figuur bedenkt iets, anderen bouwen hier een huis omheen, en deze gedachte versteent. Ik geloof dat alles wat wij vandaag doen in oude muziek een moderne uitvinding is. Natuurlijk, we proberen de taal te leren, zoals we dat ook doen met Oudgrieks. Maar we zullen nooit weten hoe het klonk in de oudheid. Bovendien spraken Atheners anders dan Kretenzers. Feitelijk hebben we geen idee. Dat geldt eveneens voor muziek. We kunnen hoogstens de helft achterhalen, de rest moeten we verbeelden. En ja, mijn fantasie is misschien wat rijker dan die van anderen.”

Christina Pluhar en ensemble L’Arpeggiata spelen Händel goes Wild in Groningen (1/12) en Utrecht (2/12). Inl: arpeggiata.com
    • Joost Galema