Recensie

De laatste Dickens is de ideale roman voor winteravonden

Charles Dickens

Onze wederzijdse vriend is een donker boek dat zich afspeelt in Victoriaans Londen, met zijn harde contrasten tussen rijk en arm. Dat zo’n meesterlijke roman een nieuwe Nederlandse vertaling heeft gekregen is uitstekend nieuws.

Illustratie Paul van der Steen

Het is een goede titel, Onze wederzijdse vriend. Beetje plechtig, maar met het vermoeden van ironie, en het woordje ‘onze’ roept de verwachting op dat je al lezend deel zal gaan uitmaken van een gemeenschap, ja, dat je eigenlijk al een ingewijde bent zodra je het boek openslaat.

En al voor je het tweede hoofdstuk uit hebt, geef je je gewonnen. In dat hoofdstuk beschrijft Dickens een dinertje dat wordt gegeven door het echtpaar Veneering. Met een genadeloze en satirische gretigheid zet hij de veertien, voornamelijk uit de hogere middenklasse afkomstige gasten neer. Zo zit daar de heer Twemlow, ‘grijs, droog, voorkomend, gevoelig voor oostenwind […], wangen naar binnen gezogen alsof hij enige jaren geleden een heftige poging heeft gedaan zich terug te trekken in zichzelf maar niet verder is gekomen dan halverwege’. Naast hem zit Lady Tippins, ‘met een immens stompzinnig, leeg, langwerpig gezicht alsof het weerspiegeld wordt in de binnenkant van een lepel’. De sardonische vrolijkheid waarmee Dickens zich op de gasten uitleeft werkt erg aanstekelijk. Zelfs al zouden de volgende 950 pagina’s van het boek tegenvallen, dan zou dit hoofdstuk al genoeg zijn om deze roman een plaats in je boekenkast te geven.

Het is ook nog eens een heel functioneel hoofdstuk, want een van de gasten, advocaat Mortimer Lightwood, vertelt het verhaal van de erfenis die centraal staat in de roman, een gegeven dat uiteraard te maken heeft met het lijk dat in het eerste, sombere, natte hoofdstuk uit de nachtelijke Thames is gevist.

Ervaren schilder

Onze wederzijdse vriend is een grote en grootse roman. Het was de laatste die Charles Dickens (1812-1870) voltooide. Het boek verscheen oorspronkelijk, zoals gebruikelijk, als feuilleton, van mei 1864 tot november 1865. Nadat hij eraan was begonnen, schreef Dickens in een brief dat hij ertegen opzag om terug te keren ‘naar het grote doek en de dikke kwasten’, maar van dat voorbehoud merkt de lezer niets. Als een oude, ervaren schilder spant Dickens het grootste doek op dat hij kan vinden en zet met snelle streken en trefzekere precisie een breed panorama neer, verontwaardigd, grimmig, grijnzend, grinnikend, belerend, bewogen, een tikje sentimenteel – in de gerechtvaardigde verwachting dat zijn publiek dezelfde emoties zal ondergaan.

De armoede in zijn jeugd maakte dat Charles Dickens (1812- 1870) levenslang een zwak hield voor de allerzwaksten. Maar waarom ging hij zo graag naar mortuaria? Lees ook: Bang, bezeten, scherp en groots

Er is dus een erfenis, die bestaat uit de veel waarde vertegenwoordigende vuilnishopen die de heer Harmon heeft nagelaten. Diens zoon, John, moet uit het buitenland terugkeren om zijn erfenis te aanvaarden. Er is een voorwaarde: hij moet trouwen met de jonge en arme Bella Wilfer. Er zijn dubbelgangers, testamenten die geldig zijn én testamenten die ongeldig zijn, want de plot heeft vele zijwegen, die bewandeld worden door een keur aan personages. Sommige zijn ontroerend, andere karikaturaal, waarbij Dickens de kunst verstaat om ook karikaturale personages ontroerend te maken.

Je leest Dickens niet voor de plot, maar voor de interactie tussen de personen. Voor een beschrijving van de belangrijkste spelers ontbreekt hier de ruimte, maar je kunt ervan uitgaan dat je een aantal personages tegenkomt dat je zal bijblijven. Headstone, de onderwijzer wiens wrok tot moordzucht leidt, Jenny Wren, het vroegwijze kreupele meisje dat poppenkleertjes maakt, de indolente Eugene Wrayburn – en dat zijn er nog maar een paar. Temidden van kleurrijke bijfiguren staat een aantal personages, zoals Eugene en genoemde Bella Wilfer, voor de keuze tussen goed en slecht, en dat maakt ze interessant: voor welke kant zullen ze kiezen? Die ambivalentie geeft de personages iets moderns, net als de verrassende vaart waarmee Dickens vertelt: hier en daar last hij korte, staccato zinnen in, alsof hij haast heeft, alsof hij erop vertrouwt dat de lezer met hem mee rent.

Scherpe aanklachten

Je leest Dickens ook voor de sfeer, voor het beeld van het Victoriaanse Londen met zijn harde contrasten tussen rijk en arm, en de eeuwig stromende Thames, die in dit boek ook bijna een personage is. Natuurlijk is er ook veel goedheid en sentiment, maar uiteindelijk is Onze wederzijdse vriend een donker boek. Er is veel dood, er zijn veel duistere nachten. De roman bevat scherpe aanklachten tegen de maatschappelijke omstandigheden, met name de gebrekkige armenzorg. Hier en daar richt Dickens zich rechtstreeks tegen de leidinggevenden. Dat het kapitaal waar de hele erfenis om draait uit vuilnis bestaat, is veelzeggend. Keuzes tussen goed en slecht gedrag hebben in dit boek veel met geld te maken – het slijk der aarde. Een revolutionair is Dickens ondertussen niet. Hij neemt iedereen serieus, arm, rijk, man, vrouw, maar zijn in satire gevatte verontwaardiging is die van de hervormer, niet van de omverwerper.

De boekenredactie van NRC maakte een lijstje van de mooiste literatuur, beste non-fictie, de leukste kinderboeken en de lekkerste kookboeken. Lees ook: 80 boeken om deze winter cadeau te geven

Dat zo’n meesterlijke roman een nieuwe Nederlandse vertaling heeft gekregen is uitstekend nieuws. De vertaling leest als een trein, hier en daar is het werkelijk van een briljante flair, maar op andere momenten gaat de vertaler al te voortvarend te werk. Hij is slordig en slaat zo nu en dan een zinnetje of woordje over. Bij een beschrijving van Bella lezen we over haar ‘lichtbruine haar dat over haar fraaie hals en borsten viel’. Borsten bij Dickens, die het doorgaans hooguit over boezem heeft? In het origineel gaat het dan ook alleen over de hals, en ontbreken de borsten. Wat is dit voor rare toevoeging? Blijkbaar vindt de vertaler Dickens niet modern genoeg. Ergens gebruikt hij het woord ‘horeca’, en hij vertaalt ‘make love’ als ‘naar bed gaan’, waar uiteraard ‘het hof maken’ is bedoeld. Dingen overslaan, dingen toevoegen – erg frivool allemaal, en totaal misplaatst. Nog treuriger stemmend is dat het boek erg slordig is geredigeerd, wat resulteert in spelfouten en ontbrekende leestekens. Op pagina 159-160 staan achter elkaar twee verschillende vertalingen van dezelfde alinea.

Onze wederzijdse vriend is nog steeds de ideale roman voor lange winteravonden, maar je zou willen dat vertaler en uitgever zorgvuldiger te werk waren gegaan. Dan had dit boek vijf ballen gekregen. Aan Dickens ligt het niet.

    • Rob van Essen