Opinie

    • Wouter Veraart

Teruggave erfgoed mag geen liefdadigheid zijn

Roofkunst Het Westen moet ruimte maken voor een adequaat antwoord op evidente en herstelbare gevallen van koloniaal onrecht. Geef gedupeerden de juridische erkenning die ze verdienen, schrijft . Teruggave mag geen ‘onverplicht gebaar’ zijn, want dan houd je de koloniale verhoudingen in stand.
Trofee met littekens uit Benin (15-17de eeuw) in Musée du Quai Branly, Parijs. Foto Olivier Laban-Mattei/ AFP

Hoe moeten we omgaan met koloniale roofkunst? De meest gangbare benadering is niets doen, gebaseerd op juridisch vergeten. Maar als je besluit wél iets te doen – en de tijd lijkt er steeds meer rijp voor, bewees president Macron dit weekend opnieuw – dan kun je proberen om dat type onrecht ofwel buiten het geldende recht om aan te pakken, ofwel door het recht te veranderen. In dit artikel pleit ik voor die tweede benadering en lever ik kritiek op de eerste.

„Moraal zonder recht is sentiment.” In 2006 heb ik in een interview met NRCmet deze woorden het gebaar van de Nederlandse regering bekritiseerd die 202 schilderijen had teruggegeven aan de erven-Goudstikker. Ik had daar moeite mee omdat de regering op dat moment twee dingen tegelijk verkondigde. Juridisch, werd er gezegd, heeft de Nederlandse staat geen reden om iets te doen – zelfs niet in het kader van het sinds 2001 verruimde restitutiebeleid met betrekking tot nazi-roofkunst. Toch maakte de staat „het onverplichte gebaar” van de teruggave, omdat de erven door deze geschiedenis leed ondervonden en dat telkens duidelijk bleven maken.

Juridische regels zouden we niet langer moeten gebruiken om claims af te weren

De regering bracht in de Goudstikker-zaak dus een scherpe scheiding aan tussen recht en het verruimde restitutiebeleid enerzijds, en het maken van incidentele, onverplichte gebaren anderzijds. Men koos, niet zonder strijd en ongemak, in deze beeldbepalende zaak voor recht doen buiten recht en restitutiebeleid om.

Maar is een vrijblijvend gebaar wel een juist antwoord, wanneer het onrecht in de kern een juridisch karakter heeft gehad?

De kunstroof van de nazi’s en hun handlangers was immers een component van een systematische politiek van ontrechting, waarin mensen die door de nazi’s als ‘Joods’ werden aangemerkt uit de rechtsorde werden verwijderd en vervolgens ook fysiek konden worden vermoord. Daar lijkt geen vrijblijvende reactie bij te passen.

Ontwikkelingshulp

Wanneer je het antwoord op historisch onrecht wel een juridische basis geeft, dan is de materiële uitkomst misschien vergelijkbaar, maar heb je wel geprobeerd het onrecht ook in juridisch opzicht recht te trekken. Belangrijk is dat je dan niet vanuit een charitatieve instelling bezig bent het ‘arme’ slachtoffer te helpen, maar dat je het onrecht dat heeft plaatsgevonden juridisch corrigeert.

Juist dat rechtsherstel door een ingreep in het recht zelf, is voor gedupeerden vaak cruciaal, omdat de uitsluiting uit de rechtsorde doorgaans een kernpunt in hun onrechtservaring is geweest.

Je moet niet het ‘arme’ slachtoffer helpen, maar het onrecht juridisch corrigeren

De gedupeerden voelen zich juridisch miskend omdat zijzelf, of hun ouders of voorouders, destijds als tweederangs burgers of zelfs als rechtelozen zijn behandeld. Ik geloof in de oprechtheid van gedupeerden die zeggen dat het hun niet primair om geld maar om die rechtserkenning gaat. Om een correctie van het feit dat men destijds als rechtssubject niet serieus werd genomen.

Precies dat punt speelt ook sterk in kwesties rond koloniaal onrecht. Moeten cultuurvoorwerpen die eind negentiende eeuw met oorlogsgeweld uit koloniale gebieden zijn meegenomen wel of niet worden teruggegeven? Die grootschalige en systematische roof van koloniale cultuurvoorwerpen vond net als die van het Joods bezit tijdens de nazi-tijd plaats in een context van ontrechting van hele bevolkingsgroepen.

Heel lang is de houding van westerse musea en overheden geweest: juridisch zijn wij gewoon eigenaar van die bronzen beelden, maskers, houtsnijwerk, sieraden en alles wat toen is meegenomen uit Afrika en elders.

Sinds enkele decennia creëert men openingen buiten het recht om: als jullie erg aandringen, willen wij, musea, best eens kijken hoe we jullie in het zuiden kunnen helpen. Bijvoorbeeld door een dependance van ons museum in jullie land te vestigen. Of door bepaalde, destijds geroofde topstukken, of hoogwaardige replica’s, wellicht tijdelijk uit te lenen of bij jullie tentoon te stellen.

Bronzen plaat uit het koninklijk paleis van Benin. Foto Getty Images

Zo’n benadering die de juridische status quo en de eigendomskwestie niet aanroert, creëert een soort ontwikkelingshulp nieuwe stijl. Je blijft dan zelf aan de knoppen draaien vanuit een juridisch eigen gelijk. En dan blijf je de koloniale verhouding ook weer reproduceren. Zij in het zuiden blijven de hulpbehoevende mensen die afhankelijk zijn van wat de gevestigde orde hier goeddunkt. En de westerse musea en collectie-eigenaren verkeren niet in de positie van aangeklaagde partij, van degenen die zich juridisch aangesproken zouden kunnen of mogen voelen, maar in de positie van een soort verheven weldoeners.

Plunderkunst

In dezelfde zin heeft de Nigeriaanse kunstenares Peju Layiwola zich recentelijk uitgelaten met betrekking tot de kwestie van de Benin-Bronzen, de vele duizenden culturele kunstschatten die tijdens een Britse militaire strafexpeditie in 1897 uit Benin City (nu Nigeria) werden geroofd, en waarvan zich er ook een aantal in Nederlandse museale collecties bevindt. In de recente roofkunstbijlage in NRC (25 okt) noemt Layiwola oplossingen als leencollecties of de retour van replica’s maar „halve maatregelen”. Zij vindt het „pijnlijk” dat in discussies over terugkeer van erfgoed het Westen de voorwaarden wil bepalen: „Alsof ze nog altijd denken dat ze er wettelijke rechten op hebben. Het discours moet veranderen. Het uitgangspunt moet zijn dat de Europeanen hun plunderkunst teruggeven.”

Om te komen tot een adequaat antwoord op evidente en herstelbare gevallen van koloniaal onrecht zul je vanuit het Westen de discussie niet langer moeten willen domineren. Als vertegenwoordiger van de voor de continuering van dergelijk onrecht verantwoordelijke partij, zul je de centrale plaats aan tafel moeten durven opgeven. Je zult je juridische aanspreekbaarheid op je moeten nemen en publiek maken. Dat is een angstig moment, omdat je niet van tevoren weet wat het effect daarvan is, wat je dan over jezelf afroept. Toch is juist dit de weg die uiteindelijk tot een vorm van ‘closure’ zou kunnen leiden.

Stel dat je als collectie-eigenaar of museum voor die moeilijke weg zou kiezen. Dat betekent dat je moet openstaan voor een uitkomst waarbij de gedupeerden, als rechtssubjecten, de erkenning krijgen die zij verdienen. Dat betekent dat je het juridische discours niet langer gebruikt om claims af te weren – door je te beroepen op verjaringsregels of de niet-toepasselijkheid van internationale regelingen. Je gaat juist meewerken aan een verandering van het recht zelf. Op die wijze wordt de ervaring van ontrechting – juridische uitsluiting – beantwoord door juridische insluiting – in de vorm van een toegang tot een juridische oplossing van het geschil.

Het gaat mij hier om duidelijke gevallen. Van sommige koloniale cultuurvoorwerpen kennen we de provenance, de bijzondere context waarin ze destijds zijn geroofd en vervolgens in allerlei westerse musea terechtkwamen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de kunstschatten die in 1892 door de Fransen werden buitgemaakt bij de verovering van het koninkrijk van Dahomey en die, zoals president Macron afgelopen vrijdag zei, „zonder dralen” terug moeten naar Benin.

Het juridisch meest voor de hand liggende antwoord op dit soort gevallen van ontrechting heet restitutie. Restitutie beoogt het slachtoffer zoveel mogelijk te herstellen in de situatie voordat het onrecht plaatsvond.

De restitutieplicht van degene die het delict heeft gepleegd of die daarvan nog steeds profiteert, is zowel juridisch als moreel van betekenis. Dat zie je bijvoorbeeld bij de filosoof Augustinus (354-430) als hij schrijft: „Als andermans zaak ten aanzien waarvan een zonde is begaan, kan worden teruggegeven en dat niet gebeurt, wordt er geen berouw getoond, maar gehuicheld.”

Door het weggenomene terug te geven, kan die ander zijn slachtofferrol verlaten en zijn leven als verantwoordelijk burger weer oppakken.

In het afgelopen jaar werd steeds duidelijker dat restitutie als oplossingsrichting niet langer taboe is bij koloniale roofkunst. Macron heeft in zijn toespraak van een jaar geleden in Burkina Faso gesproken over „tijdelijke of permanente restituties van Afrikaans erfgoed aan Afrika” en daarmee, zo blijkt, veel in beweging gezet. Enkele weken geleden formuleerde Stijn Schoonderwoerd, directeur van het Nationaal Museum van Wereldculturen, het iets voorzichtiger in deze krant, toen hij „niet uitsloot” dat beoogde bruiklenen aan Nigeria in de kwestie van de kunstschatten uit Benin City „op termijn worden gerestitueerd”.

Natuurlijk kun je je bij een praktijk van restitutie van koloniale cultuurgoederen nog allerlei praktische bezwaren voorstellen. Bekend is de angst dat belangrijke objecten na teruggave niet veilig zullen worden bewaard of in een sfeer van corruptie zullen worden verkwanseld. Die bezwaren verdienen het geadresseerd te worden, als het tot een restitutieregeling in bepaalde gevallen komt. Zij doen aan de hier bepleite benadering – als oplossingsrichting – niet af.

    • Wouter Veraart