Recensie

Vijftig jaar Bijlmer: in idealen kun je niet wonen

50 jaar Bijlmer

De helft van de Bijlmermeer, vijftig jaar geleden ‘De stad van de toekomst’, is inmiddels gesloopt. Wat ging er mis? Of was de wijk al mislukt voor de eerste steen werd gelegd?

Bijlmermeer in aanbouw, 1966 Foto Gemeentearchief Amsterdam

‘De stad van de toekomst’ werd de Bijlmermeer vijftig jaar geleden genoemd toen de eerste bewoners eind november de sleutels van hun woning in de flat Hoogoord kregen uitgereikt. Maar de Amsterdamse satellietstad voor 100.000 inwoners in een polder bij Amsterdam kon van begin af aan de toekomst niet aan. De Amsterdammers uit de 19de-eeuwse saneringswijken als Oostenburg, voor wie de futuristische wijk was bedoeld, wilden er niet wonen, mede wegens de hoge huren.

Al in 1972, toen de wijk nog lang niet was voltooid, had de Bijlmermeer daarom te kampen met leegstand. Hoewel in de daaropvolgende jaren duizenden Surinamers in de Bijlmermeer kwamen wonen wegens de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, nam de leegstand verder toe, tot bijna 20 procent in 1983. Bovendien werd de Bijlmer toen steeds meer geteisterd door vandalisme, vervuiling, misdaad en onveiligheid en werd de ‘stad van de toekomst’ de ‘grootste probleemwijk van Nederland’.

Investeringen in de Bijlmermeer en renovaties van de flats konden het tij niet keren. In de jaren negentig nam de gemeente Amsterdam daarom een rigoureus besluit: de helft van de galerijflats moest worden gesloopt en vervangen door een vinexwijk met veel rijtjeshuizen.

Wat ging er mis met de Bijlmermeer? Over deze vraag schreef de planoloog Maarten Mentzel (1949), ex-docent aan de Technische Universiteit in Delft, al in 1989 zijn proefschrift Bijlmermeer als grensverleggend ideaal. „Veel van de mislukking van de Bijlmermeer ligt besloten in de eerste stelling van mijn proefschrift”, zegt Mentzel in een café in Leiden. „‘De hoogbouwgolf uit de jaren zestig was, hoewel als toekomstvisie gepresenteerd, een anachronisme.’ Eenvoudiger gezegd: de Bijlmer was niet de stad van morgen maar de stad van gisteren.”

Mentzels stelling doet denken aan wat architect Tjakko Hazewinkel (1932-2002) in 1965 schreef over het ontwerp voor de Bijlmermeer: „Met de stedenbouwfilosofie van 1930 en de technische hulpmiddelen van 1965 wordt een stad gebouwd voor het jaar 2000.”

„Dat klopt”, zegt Mentzel nu. „La Ville Radieuse en andere ontwerpen uit de jaren twintig en dertig van Le Corbusier, nog altijd de held van veel architecten, waren de belangrijkste inspiratiebron voor het Bijlmerteam van de dienst Stadsontwikkeling dat onder leiding van stedenbouwkundige Siegfried Nassuth (1922-2005) de Bijlmermeer ontwierp. Le Corbusier (1887-1965) propageerde een strikte scheiding van de vier functies die een stad volgens hem had: wonen, werken, recreatie en verkeer. Wonen deed men in Le Cobusiers ideale stad in torens of in lange hoogbouwblokken in parken.”

Bijlmermeer (geen datum bekend). Rechts: Bijlmerflats in honingraatpatronen, 1994. Foto’s Anefo, ANP

Tekenen van de tijd

Zo werd het ontwerp van de Bijlmermeer een breuk met de Amsterdamse buitenwijken van Stadsontwikkeling uit de wederopbouwtijd, waaronder de Westelijke Tuinsteden, zo laat Mentzel zien in zijn proefschrift. „Het Bijlmerteam koos radicaal voor hoogbouw van meer dan vier lagen. Terwijl wijken als Geuzenveld en Buitenveldert slechts voor een klein deel uit hoogbouw van meer dan vier verdiepingen bestaan, zouden de 40.000 woningen van de Bijlmermeer voor 90 procent worden ondergebracht in lange galerijflats van elf verdiepingen die allemaal op industriële wijze van grijs beton werden gebouwd. De meeste flats werden opgesteld in een honingraatpatroon. Tussen de flats kwamen grote, openbare parken waaruit de auto’s waren verbannen. Hun auto’s moesten de Bijlmerbewoners parkeren in betonnen garages aan verhoogde autowegen die met luchtbruggen waren verbonden met de flats, de onderste twee verdiepingen van alle flats waren bestemd voor collectieve voorzieningen als kinderdagverblijven en knutselruimtes.”

Luister naar een tweedelige podcast over de geschiedenis van de Bijlmermeer: De stad van de toekomst pakte anders uit dan gehoopt

Het grote raadsel van de Bijlmermeer is: hoe is het mogelijk dat de jonge architecten en stedenbouwers van het Bijlmerteam zo slecht de tekenen van de tijd hadden doorgrond? Terwijl provo’s op het Spui met happenings rondom het Lieverdje de ‘regenten’ uitdaagden en de emancipatie van de gezagsgetrouwe, verzuilde burger tot mondige, vrije consument aankondigden, was Nassuths team nog altijd in de ban van de autoritaire stedenbouw van Le Corbusier, waar alles zijn vaste, onveranderlijke plek had en iedereen in eendere woningen moest wonen. Onderzoeken naar bijvoorbeeld woonwensen, waaruit bleek dat slechts een procent of tien van de Nederlanders de voorkeur gaf aan wonen in hoogbouw, speelden geen enkele rol bij het ontwerp. Ook Jacoba Mulder (1900-1988), het hoofd Stadsontwikkeling dat herhaaldelijk aandrong op meer laagbouw, werd genegeerd. „Mulder maakte er geen groot punt van”, vertelt Mentzel. „Ze ging in 1965 met pensioen en wilde in haar laatste jaren haar opvolger, een voorstander van de Bijlmer, niet voor de voeten lopen.”

Mentzel geeft nog andere verklaringen voor het oneigentijdse karakter van de Bijlmermeer. „Amsterdamse bestuurders en politici hadden veel ontzag voor Stadsontwikkeling. Die had tenslotte onder leiding van de beroemde stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren in 1935 het wereldberoemde Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam gemaakt. Een politicus als Den Uyl, in de jaren 1963-1965 de machtigste wethouder in Amsterdam, was dan ook een groot voorstander van de Bijlmer, en overigens ook van de plannen van Stadsontwikkeling om de halve binnenstad af te breken.”

Tunnelvisie

De belangrijkste verklaring voor de radicale opzet van de Bijlmermeer was de tunnelvisie waaraan de leden van het Bijlmerteam gingen lijden. „Het Bijlmerteam werkte betrekkelijk geïsoleerd aan de Bijlmermeer”, legt Mentzel uit. „Wethouders en gemeenteraadsleden bemoeiden zich er nauwelijks mee, die hadden het te druk met de annexering van de Bijlmermeerpolder die bij de gemeente Weesperkarspel hoorde. Over het ontwerp van de Bijlmermeer heeft nooit een publiek debat plaatsgevonden. Als er eens een raadslid vroeg waarom er niet meer laagbouw in de Bijlmermeer kwam, kreeg hij als antwoord dat het ontwerp nog niet definitief was en nog kon veranderen. Wat natuurlijk niet gebeurde. Ook de dienst Volkshuisvesting en de woningcorporaties die de flats moesten gaan beheren, kregen geen voet tussen de deur bij het Bijlmerteam.”

Zeker als de leider, zoals Nassuth, krachtig en gedreven is, ontstaat er in een hecht team dan wat sociaal psychologen ‘groepsdenken’ noemen. Mentzel: „Hierbij onderwerpen de leden zich steeds meer aan het groepsoordeel dat natuurlijk vooral door de leider wordt gedicteerd. De groep raakt steeds meer overtuigd van het eigen gelijk en er ontstaat een illusie van onaantastbaarheid. Waarschuwingen worden in de wind geslagen, twijfel en tegenargumenten worden weggewuifd, en de risico’s van de gemaakte keuzes worden niet onderzocht. Dit is precies wat er in het Bijlmerteam gebeurde. Op kosten letten de ontwerpers bijvoorbeeld niet. Zo werd er gewaarschuwd tegen te hoge bouwkosten: de aanleg van de verhoogde autowegen was zo duur dat de huren van de woningen veel te hoog zouden worden. Maar daar trok het Bijlmerteam zich niets van aan. Allerlei onzinnige ideeën bleven onweersproken en werden verheven tot dogma’s.”

Als een van de vele vreemde ideeën van de Bijlmerontwerpers noemt Mentzel de ‘drooglopen’, zoals de ontwerpers de luchtbruggen noemden. Hier zou een groot deel van het sociale leven van de flatbewoners zich afspelen. „Binnenstraten waren toen in de mode in de architectuur. De ontwerpers van de Bijlmermeer dachten dat er bij de ingang van de parkeergarages kiosken zouden komen en dat in de drooglopen kinderen zouden spelen terwijl hun ouders koffie dronken in een barretje. Maar dat is allemaal niet gebeurd. Integendeel, de binnenstraten en ook de collectieve ruimtes gaven aanleiding tot veel geruzie. Een binnenstraat is dan ook een vergissing, een denkfout.

„Behalve doodlopende straten hebben straten een doorlopend karakter. Maar een binnenstraat in de Bijlmer begon bij de parkeergarage en eindigde bij een liftdeur. Bovendien is een binnenstraat niet openbaar, zodat er nauwelijks passanten zijn. Een droogloop is, kortom, helemaal geen straat.”

Maarten Mentzel vervolgt: „Ook leefden de Bijlmerontwerpers in de waan dat woningen aan een galerij veel meer privacy bieden dan een rijtjeshuis met een tuin. Zo zou extreme collectiviteit mooi samengaan met extreme privacy, dachten ze, en zou de Bijlmer het beste van twee werelden bieden. Maar een woning aan een galerij met voorbijgangers pal langs je raam, die bovendien tussen andere woningen boven, onder en naast je ligt, biedt juist veel minder privacy dan een rijtjeshuis. Al in 1970 noemde een vakgenoot van me de Bijlmermeer dan ook een monument van vakidiotisme.”

    • Bernard Hulsman