‘Een Israëliër vindt echt wel weer een nieuwe baan – wij Palestijnen niet’

Bezettingsindustrie Israëlische bedrijven in bezet gebied zijn een zegen voor hun Palestijnse werknemers en een probleem voor de Palestijnse economie. Europa moet er weinig van hebben.

Israëlische verhuurders op de Westelijke Jordaanoever, zoals deze man in de tuin van zijn pension, worden door Airbnb uitgesloten. Foto AP Photo/Tsafrir Abayov

Toen Airbnb vorige week besloot Israëlische verhuurders op de bezette Westelijke Jordaanoever uit te sluiten, kreeg het bedrijf het hele Israëlische establishment over zich heen. Er waren beschuldigingen van antisemitisme en oproepen het populaire verhuurplatform te boycotten. Een groep Israëlische advocaten claimt schadevergoeding voor gedupeerde verhuurders.

Airbnb publiceerde zijn beslissing vlak voor, en wellicht ingegeven door, een rapport van Human Rights Watch. Daarin beschrijft de mensenrechtenorganisatie hoe Airbnb – en ook het Nederlandse Booking.com – bijdragen aan de economie van illegale Israëlische nederzettingen.

Israël reageert woedend op elke poging het economisch verkeer met Israëlische bedrijven in Palestijns gebied te beperken. Het meest verrassende argument daarbij: de nederzettingenindustrie zou goed zijn voor de Palestijnse economie. Is dat onzin, of toch niet helemaal?

In een hal van plasticfabriek Lipski op het industrieterrein Barkan rijden Palestijnse jongens met steekkarren vol huishoudelijke artikelen voorbij. Van de zestien Israëlische industriële zones op de Westelijke Jordaanoever is Barkan een van de grootste. Voor mensenrechtenorganisaties is er geen twijfel mogelijk: de bezettingsindustrie moet stoppen. De fabrieken op industrieterreinen als Barkan zijn gebouwd op Palestijnse grond die in 1967 bezet werd door Israël, en terwijl ze grotendeels op Palestijnse mankracht draaien, gaan de opbrengsten volledig naar Israël.

Aanslag

De Europese Unie vindt dat Israëlische industrie in de Palestijnse gebieden moet worden ontmoedigd. Daarom gelden gunstige regelingen voor Israëlische export naar de EU niet voor producten uit de nederzettingen. Diverse bedrijven trokken zich onder druk van de internationale boycotbeweging al terug uit Barkan. De Palestijnse Autoriteit probeerde vergeefs werken in de nederzettingenindustrie te verbieden.

Voor de Palestijnse fabrieksarbeiders ligt het een stuk minder simpel. Bij de 164 bedrijven op Barkan – van producenten van bouwmaterialen tot hightech-ondernemingen – werken zo’n 4.000 Palestijnen en 3.000 joodse Israëliërs. Nadat vorige maand een 23-jarige Palestijn twee Israëlische collega’s had doodgeschoten, verscheen de ontdane fabriekseigenaar op de Israëlische tv. Rafi Alon had altijd geloofd dat het model van Barkan „het pad naar vrede” was met de Palestijnen. „Vandaag zijn al mijn overtuigingen door elkaar gegooid.” Met de aanslag was een „baken van coëxistentie” in gevaar gebracht.

Lees ook: Honderden Palestijnen moeten vertrekken uit wijk in Oost-Jeruzalem

Bij Lipski werken Israëliërs en Palestijnen volgens directeur Yehuda Cohen „als een familie” samen. Toch is er een verschil, zegt het Palestijnse afdelingshoofd Rachid Morrar (50). „Als deze fabriek zou sluiten, zijn wij Palestijnen het eerste slachtoffer. Israëlische werknemers vinden wel een nieuwe baan, maar wij kunnen niet zomaar ergens anders heen.”

Palestijnse arbeiders vrezen dat de recente aanslag gevolgen heeft voor hun werk. De veiligheidsmaatregelen op Barkan zijn aangescherpt; langs de weg staan tientallen auto’s van Palestijnen die niet meer met hun voertuig het terrein op mogen, binnen de hekken staan alleen auto’s met een Israëlisch nummerbord.

In Isräel werken is voor veel Palestijnen geen optie: ze krijgen geen vergunning

Morrar werkt al twintig jaar op dit terrein. Hij haalde verschillende werknemers uit zijn woonplaats Salfit het bedrijf binnen. Binnen Israël werken is voor veel Palestijnen geen optie; ze krijgen geen werkvergunning. De industriële zones op de Westelijke Jordaanoever bieden werk aan ruim 11.000 Palestijnen. De banen zijn er gewild, want ze verdienen er drie à vier keer zo veel als bij Palestijnse bedrijven. Bovendien dragen hij en zijn collega’s bij aan de Palestijnse economie, aldus Morrar. „De duizenden Palestijnse families die door deze industrie een inkomen hebben, geven hun geld niet uit in Tel Aviv, maar in Nabloes of Hebron.”

Met gunstige belastingtarieven en lage huren moedigt de Israëlische regering bedrijven aan zich op de Westelijke Jordaanoever te vestigen. Wat dat Israël opbrengt, is moeilijk te achterhalen. Volgens schattingen in een Wereldbankrapport uit 2016 gaat jaarlijks voor zo’n 360 miljoen euro aan goederen vanuit de bezette gebieden naar Europa. Dat is een fractie van de totale Israëlische uitvoer naar Europa, die zo’n 15 miljard euro bedraagt. Volgens Barkan-manager Ron Huli staan bedrijven ondanks groeiende terughoudendheid van Europese afnemers te springen voor een plekje op zijn industrieterrein. Genoeg andere afzetmarkten, zoals Azië en Rusland. Zowel Barkan als de nabijgelegen industriële zone van Ariel breiden uit.

„Coëxistentie op basis van illegaliteit bestaat niet”, stelt de Amerikaans-Palestijnse ondernemer Sam Bahour. Hij vindt het dan ook onjuist dit soort industrieterreinen als voorbeeld van vreedzaam samenleven te zien, al zijn geweldsuitbarstingen zoals die van afgelopen maand zeldzaam. Voor individuen bieden de Israëlische fabrieken in Palestijns gebied misschien economische voordelen, voor de opbouw van de Palestijnse economie zijn ze schadelijk.

Werkloosheid

Volgens het Wereldbankrapport schaadt de bezetting van de Westelijke Jordaanoever de Palestijnse economie direct en indirect voor zo’n 3,8 miljard euro per jaar. Die wordt trouwens steeds afhankelijker van de Israëlische. Het eerste kwartaal van 2018 groeide de economie op de Westelijke Jordaanoever met 5 procent. De Wereldbank voorspelde vorige maand dat, als de politieke situatie niet verandert, de ecomnomische groei zal afnemen. Die komt dan tussen 2018 en 2020 op 1,7 à 1,9 procent uit, terwijl het inkomen per Palestijn in 2020 met ruim 2 procent zal zijn afgenomen.

Palestina heeft een jonge bevolking, waaronder de werkloosheid hoog is. Volgens de Wereldbank zal het aantal werklozen in 2020 toenemen tot 35 procent van de Palestijnse beroepsbevolking. Nu is dat 32,4 procent; ongeveer 19 procent op de Westelijke Jordaanoever en 53,7 procent in Gaza, dat grotendeels is afgesloten van de buitenwereld. De economie van Gaza kromp in het eerste kwartaal van dit jaar met 6 procent.

Daarnaast dreigt een braindrain; Palestijnen die hebben gestudeerd en kans zien weg te gaan, doen dat massaal. Palestijnse werkgevers klagen dat ze de slag om zowel de geschoolde als de ongeschoolde werknemer verliezen. „Wij kunnen ons niet de salarissen veroorloven die de Israëliërs bieden”, zegt Saed Herbawi, personeelsmanager bij Al Juneidi, een grote zuivelfabriek in Hebron. „We hebben wel de kosten, maar niet de voordelen die de Israëlische industrie krijgt.” Als de Palestijnen de Westelijke Jordaanoever zelf zouden kunnen exploiteren, kan de werkgelegenheid er volgens de Wereldbank aanzienlijk stijgen.

Lees ook: Palestijnen verliezen op alle fronten snel terrein

Ondernemer Sam Bahour kijkt overigens niet alleen sceptisch naar de Israëlische bedrijven in bezet gebied, maar ook naar de internationaal bejubelde ontwikkeling van Palestijnse industriegebieden met steun van donorlanden als Frankrijk en Duitsland. „Al die zones worden opgericht met hetzelfde doel: de Israëlische economie dienen met goedkope Palestijnse arbeidskrachten.”

Zijn punt is dat de Palestijnen vooral bezig zijn met import, groot- en detailhandel. Volgens Bahour zou de Palestijnse economie zich breder moeten ontwikkelen, in toerisme bijvoorbeeld, landbouw, winning van delfstoffen en opbouw van een kennisindustrie.

De nederzettingenindustrie houdt de Palestijnen in de tang. „De afhankelijkheid van banen creëert getemde personen, die niet voor hun rechten durven op te komen”, aldus Bahour. „Het is chantage op klaarlichte dag.”

    • Jannie Schipper