David Lynch in zijn studio, een huis met atelier dat uitkijkt over de villa’s op de Hollywood Hills.

Beeld Studio David Lynch

David Lynch: ‘Wat ik wil schilderen is verrotting’

Interview David Lynch is vooral bekend als regisseur van Twin Peaks en vele films. Dat hij beeldende kunst maakt, wist heel lang bijna niemand. Hij vindt dat niet erg. „Ik schilder voor mezelf.” Zijn werk hangt nu in Maastricht.

De taxichauffeur die me afzet voor het huis waar ik met David Lynch heb afgesproken, vertrouwt het niet helemaal. De bunkerachtige constructie met smalle raampjes, waarvan sommige dichtgeplakt, ziet er onbewoond uit. „Zal ik iemand voor je bellen?”, roept hij bezorgd als ik na vijf minuten dralen nog geen deurbel heb gevonden.

Dat de gevel hem een weinig geruststellend gevoel bezorgt is niet geheel toevallig, de woning speelde ook een prominente rol in Lynch’ psychologische thriller Lost Highway (1997). Daarin krijgt een koppel opnames toegestuurd van een onbekende die nachtelijk met een camera door hun huis dwaalt. Wat niet in die film te zien is: in de tuin bevindt zich een atelier dat uitkijkt over de villa’s op de Hollywood Hills. In deze zonnige, open ruimte vult Lynch zijn dagen met roken en het creëren van zijn vaak unheimliche werken.

Hoewel hij wereldberoemd is als medebedenker en regisseur van de cultserie Twin Peaks en maker van films als Mulholland Drive (2001), waarin droom en realiteit door elkaar lopen, wilde Lynch als tiener al beeldend kunstenaar worden. Hij volgde kort kunstopleidingen in Washington, Boston en Philadelphia en produceert al zijn leven lang schilderijen, tekeningen, litho’s en foto’s. In het Maastrichtse Bonnefantenmuseum opent vrijdag 30 november een overzichtstentoonstelling van dit beeldende werk met de titel Someone is in my House. Er zullen uiteenlopende werken te zien zijn, van de pentekeningen die hij in de jaren zeventig kriebelde op luciferdoosjes, tot metershoge doeken met titels als Woman with small dead bird (2018). Wie bekend is met de films van Lynch zal niet verrast zijn dat ook deze werken doorspekt zijn met geweld, seks, nachtmerrieachtige scènes en macabere humor.

David Lynch, Broken Heart, 2013. Foto Robert Wedemeyer

Het begint altijd met een idee dat plots zijn bewustzijn binnenschiet, vertelt Lynch als een assistent me naar het atelier heeft gebracht waar de regisseur achter een bureau zit te wachten. Nog explicieter dan in zijn films lijken veel ideeën in zijn beeldende kunst getriggerd door jeugdherinneringen. Lynch: „Alles kan een idee oproepen; muziek, een gesprek, een wandeling. Het is niet dat ik thuis actief na zit te denken over mijn jeugd en er dan ideeën komen, hoewel dat soms wel gebeurt.”

Lynch wijst naar het terras naast zijn atelier. Tegen een muur, in de zon tussen de weelderige planten, staat een manshoge tekening in dunne roze en witte lijnen. Het is een uitvergrote versie van een kindertekening uit 1952 waar Lynch momenteel mee bezig is. Terwijl hij een sigaret opsteekt en uitlegt dat „wat we meemaken tijdens onze jeugd een sterke indruk achterlaat”, probeer ik het huis op de tekening in mijn geheugen te branden. Niet gemakkelijk, want tegenover me rakelt Lynch met nasale stem de ene na de andere smakelijke anekdote op. Over de betekenis van zijn kunst wil hij het niet hebben, maar bij iedere andere vraag heeft hij een onderhoudend verhaaltje of metafoor gereed.

Verval

David Lynch (72) groeide op met liefhebbende ouders in een doodlopende straat in het stadje Boise in Idaho. „Ik herinner me mijn jeugd als idyllisch, ik had een geweldige familie en er heerste een vredige sfeer, maar ik had als kind wel al het gevoel dat er om me heen veel meer gaande was dan ik op het eerste gezicht kon waarnemen. „Zoals de kersenboom daar, die was beeldschoon maar als je dichterbij kwam zag je het sap eruit sijpelen en rode mieren rondkrioelen. Er waren allerlei organische processen gaande.”

Lynch imiteert met zijn vingers de weke textuur van rottend organisch weefsel, iedere keer als hij begint over verval of ontbinding – wat hij opmerkelijk vaak doet – schiet zijn hand weer omhoog. „Dat fascineert me, zaken als insecten, vlees, verrotting. Ik houd ook van natuur die bloeit, maar wat ik wil schilderen is verval.” Al zijn hele leven probeert hij de structuur van rottend weefsel te vangen, maar het is nog nooit gelukt. „Al ben ik wel dichtbij gekomen.”

David Lynch, Matchbook Drawing #21, begin jaren ’70. Foto Robert Wedemeyer

Later in het gesprek vergelijkt hij zichzelf met een trompetspeler die weet dat een bepaalde noot bestaat, maar hem nooit raakt. Kent hij een kunstenaar die het wel is gelukt? Zonder aarzelen: „Francis Bacon.” Lynch legt uit dat hij van figuratieve dingen houdt, en menselijke vormen. „Maar wel verstoorde menselijke vormen, net zoals bij Bacon.”

Zijn fascinatie voor verval is zeker niet nieuw. De herinneringen die Lynch in zijn biografie Room to Dream zelf ophaalt over zijn vroege jeugd, gaan – behalve over vriendinnetjes – geregeld over dode stekelvarkens, eekhoorns en koeien waar hij als kind in een landelijke omgeving mee werd geconfronteerd. Ontstond zijn fascinatie in die periode, of herinnert hij zich die dingen omdat hij er later geïnteresseerd in raakte? „Ik denk een beetje van beide.”

Toen hij als twintiger studeerde aan de kunstacademie van Philadelphia, bewaarde Lynch dode vogels in de kelder. Toen hij die eens aan zijn vader liet zien, raadde die hem aan om nooit kinderen te krijgen. „Wat bewijst dat je totaal verschillend kunt zijn en toch een heel goede relatie kunt hebben”, lacht Lynch. „Kijk, mijn vader is opgegroeid op een boerderij. Hij kwam totaal niet in contact met de kunstwereld en toen hij in mijn kelder al die rottende dingen zag, maakte hij zich zorgen over mijn mentale gesteldheid. Hij begreep gewoon niet dat het voor mij opwindend en leerrijk was om al die verschillende stadia van rotting te zien.” Niet veel later bleek Lynch’ toenmalige vriendin zwanger van zijn eerste kind.

Leerden zijn ouders zijn kunst later wel waarderen? „Ik denk het wel. Ze hebben veel van mijn films en schilderijen gezien, hoewel ik denk dat ze de meeste niet in hun huis zouden willen.”

Vijftien hagedissen

Voordat Lynch naar de kunstacademie in Philadelphia ging, heeft hij kort overwogen om in Europa te studeren. Een jaar na zijn afstuderen plande hij samen met zijn beste vriend, kunstenaar Jack Fisk, een reis naar Salzburg; ze wilden lessen volgen bij de academie opgericht door Oskar Kokoschka. Wat was zijn fascinatie voor deze Oostenrijkse expressionist? „Die reis sloeg nergens op, nu niet en toen ook al niet. Het was een droom die heel snel lek werkt geprikt; op het moment dat we in Salzburg aankwamen, besefte ik dat ik weg wilde: het was zo schoon, er was geen inspiratie en Kokoschka zelf was er niet.” Toen Lynch na vijftien dagen rondreizen wakker werd in een goedkope hotelkamer in Athene met vijftien levende hagedissen op het plafond, besliste hij dat het wel mooi was geweest.

David Lynch, Philadelphia, 2017. Courtesy the artist

Bij thuiskomst ging hij een tijd bij de vader van een vriend wonen, kunstenaar Bushnell Keeler die Lynch als puber had doen inzien dat je je leven kunt wijden aan het maken van kunst. Hoewel hij zelf het nut niet zag van een kunstopleiding, belandde Lynch onder druk van Keeler midden jaren zestig op de kunstacademie van Philadelphia. Lynch: „Bushnell en zijn vrienden stopten simpelweg met mij te praten tot ik naar de academie vertrok, niet echt fijn.” Het enorme contrast tussen zijn idyllische jeugdomgeving en de vervallen industriestad inspireerde Lynch later tot zijn debuutfilm Eraserhead (1977), maar de stad is ook nog aanwezig in zijn meer recente werken. In Maastricht wordt het werk Philadelphia uit 2017 getoond, waarin een misvormde, okergele figuur met een bloedrood object in de hand voor een bakstenen huis staat en „Fucking Hell Philadephia” uitschreeuwt. Het huis op het schilderij is de plek waar hij zelf leefde, vertelt Lynch. „Ik heb vijf jaar in Philadelphia gewoond en die stad heeft van alle dingen in mijn leven de grootste invloed op mijn werk gehad: het was er vuil, corrupt en doordrongen van angst en geweld. Maar ik was er dol op; op die schoonheid en puurheid van de architectuur en dat alles bedekt was met roet, de academie waar ik studeerde was bijna zwart. Het had echt de sfeer van verval. Maar dat is nu allemaal weg, ze hebben het gebouw gerestaureerd en schoongemaakt. Het blijft mooi maar de sfeer is weg.”

De academie vond hij geweldig, maar alleen wegens zijn getalenteerde medestudenten, niet wegens de lessen. „Ik haat scholen. Als je geluk hebt, heb je op een opleiding inspirerende medestudenten en zo niet, is er geen reden om te blijven.” Hij maakte in Philadelphia onder meer zijn eerste experimentele animatiefilm, Six Men getting Sick (six times), ook te zien in Maastricht. Na enkele semesters verliet Lynch de academie, hij bleef wel (video)werk maken en werd al snel uitgenodigd om aan het prestigieuze American Film Institute in Los Angeles te komen studeren. De rest is filmgeschiedenis.

Zondagsschilder

De vraag of hij het niet frustrerend vindt dat zijn beeldende kunst veel minder bekend is dan zijn film- en tv-werk zoals Twin Peaks, wuift Lynch weg. „Dat interesseert me niet.” Hij heeft nooit moeite gedaan om zijn beeldende kunst onder de aandacht te brengen, legt hij uit. Een tijdje had hij een galeriehouder in LA, een vriend van de journalist Kristine McKenna die later ook meeschrijven aan zijn biografie, maar toen die galeriehouder naar New York verhuisde, stopte de aandacht. „Ik vermoed dat het helpt als iemand je om de zoveel tijd opbelt en vraagt of je nieuw werk hebt. Anders sta je er wat alleen voor en schilder je voor jezelf.”

Lees ook de recensie van de biografie/memoires: David Lynch: hartelijk mens in een kille wereld

Met zijn werk verkopen of het in musea onder brengen is hij nooit actief bezig geweest. Dat zijn films wel wereldberoemd werden, was trouwens ook niet iets waar hij op zat te wachten, legt hij uit. „Je maakte ze omdat je ze wilt maken, en als ze eenmaal af zijn, wil je verder. Ik wilde helemaal niet dat mensen mijn films zagen, ik word altijd enorm nerveus van filmvertoningen, maar dat is nu eenmaal wat er gebeurt als je een film maakt, het eindigt met mensen die hem zien.”

Hij had als kunstenaar natuurlijk een luxe positie. „Ik had het enorme geluk dat ik genoeg geld had om te schilderen.” Dat zijn beeldende kunst sinds een decennium ‘ontdekt’ lijkt, komt doordat Hervé Chandès van de Fondation Cartier in Parijs in 2007 een expositie organiseerde die later ging rondreizen. „Ik heb altijd geschilderd, maar sindsdien zijn er meer shows.”

Na een korte pauze voegt Lynch toe dat je tot niet zo lang geleden automatisch werd gezien als een zondagsschilder als je nog iets naast schilderen deed, zoals filmmaken. „Ik had niet veel zin om over mijn beeldend werk te praten, dus weinig mensen waren op de hoogte.”

Bob en David

Lynch’ achtergrond in de beeldende kunst beïnvloedde duidelijk zijn film- en tv-werk. Heeft Hollywood ook zijn beeldende kunst beïnvloed? „Nee, of misschien dat het ervoor heeft gezorgd dat ik ook foto’s ben gaan maken.”

Zijn de namen die geregeld terugkeren in de titels van zijn werken ook steeds dezelfde personages? In Maastricht duiken Bob en Sally bijvoorbeeld vaak op, zeer Amerikaanse types.

„Ik ben een Amerikaan”, antwoordt Lynch. „Ik houd gewoon van die namen, net als van Ricky en Jimmy.” Hij steekt nog een sigaret op en benadrukt dat Bob in geen geval verwantschap heeft met Bob uit Twin Peaks, verder wil hij niets kwijt over de figuren en verhalen in zijn werk. Waarom niet? „Er zit genoeg in. Iemand zei me ooit: vertel me iemands naam en ik vertel je alles over die persoon.”

David Lynch, Bob love Sally until she is blue in the face, 2000. Courtesy the artist

Wat voor iemand is ‘David’?

Lachend: „A very good person.”

Lynch is een optimist, dat blijkt als ik hem tot slot nog even vraag naar het Twitterrelletje dat ontstond na een interview met The Guardian deze zomer. Hierin zei hij dat Trump de geschiedenis in kan gaan als een van de grootste presidenten omdat hij alles zo heeft ontregeld en niemand in staat is hem te counteren op een intelligente manier. Nadat Trump dit citaat had geretweet voelde Lynch zich verplicht om op Facebook te verduidelijken dat de zin uit de context was getrokken en Trump erop te wijzen dat hij „pijn en polarisatie” veroorzaakt.

Voorlopig blijft het hopen op een grote nieuwe speelfilm van David Lynch. Maar we hebben zijn oeuvre, en drie meesterwerken die nu opgepoetst terug zijn in de bioscoop. Lees ook: David Lynch’ films analyseren moet je gewoon niet willen

Ondanks de storm van negativiteit die Lynch toen over zich heen kreeg, blijft hij onverbiddelijk geloven in een positieve toekomst. Waarin internet nog steeds mensen samenbrengt. „Want dat gebeurt nu ook. Op dit moment. Mensen over de hele wereld delen er ideeën.” Ook ziet hij een hele wereld waarin mensen „achter de schermen” via meditatie werken aan een betere wereld. „Maar daar merk je weinig van op het nieuws. Conflict, polarisatie. Dat verkoopt nu eenmaal beter.”

Hoe hij de vaak duistere wereld van zijn werk verbindt met deze wereldvisie? „Ik krijg mijn ideeën van de wereld, maar het geweld in mijn werk is een absurde vergroting. En er zijn in mijn werk ook nog ander verhalen gaande.”

Zijn hand schiet omhoog en hij begint weer over zijn zoektocht naar de ideale textuur. De textuur van vergankelijkheid.

Denkt hij dat zijn levenslange zoektocht ooit zal slagen? „Ja. Dat is in ieder geval wel mijn hoop.”

    • Sabeth Snijders