Opinie

    • Coen van Zwol

Twee totaal verschillende meesters: Bertolucci en Roeg

Coen van Zwol Afgelopen week overleden twee filmgrootheden: Bernardo Bertolucci en Nicolas Roeg. De een de grote maestro, de ander een excentrieke cultfiguur. Coen van Zwol vermoedt dat de films van de laatste de tijd beter zullen doorstaan.

Twee filmgrootheden gingen deze week van ons heen: de 77-jarige Bernardo Bertolucci en de 90-jarige Nicolas Roeg. Een Italiaans wonderkind en een Britse laatbloeier, beide op de toppen van hun kunnen in de jaren zeventig.

Bertolucci is de grote maestro, Roeg wordt eerder gevierd als excentrieke cultfilmer. Op horrorfilm Don’t Look Now na – een exquise gecomponeerde, verkillende blik op morbide rouw – verkochten zijn films matig tot slecht. Maar ze rijpen fantastisch: zie Performance (1970), Walkabout (1971) of The Man Who Fell to Earth (1976), een profetische blik op vervreemding via imago en beeldscherm.

Nicolas Roeg, opgeklommen van theejongen tot regisseur, was gefascineerd door montage. Volgens zijn memoires The World Is Ever Changing beleefde hij een eureka-moment toen hij voor een vertaalstudio lipklanken in Franse films markeerde – m’s, b’s, p’s – met het oog op de Engelse overdub. Tijdens dat eindeloze heen en weer spoelen van film besefte Roeg dat de kracht van film schuilt in tijd. Film kan tijd vertragen, versnellen, herhalen, terugdraaien. Film is tijdreizen, en onze gedachten werken net zo. Ook daar verloopt tijd zelden lineair.

Van Jean-Luc Godard kwam de observatie dat film een begin, midden en eind heeft, niet noodzakelijk in die volgorde. Nicolas Roeg bracht dat pas echt in praktijk; dat je zijn pionierswerk in deconstructie van tijd- en verhaallijnen nu als vrij normaal ervaart, komt door zijn invloed op filmmakers van de jaren negentig: Danny Boyle, Steven Soderbergh of Christopher Nolan.

En Bernardo Bertolucci dan? Zijn marxistische en freudiaanse preoccupaties ogen nu soms belegen, zijn stijl was te traditioneel om school te maken. Bertolucci bewonder je als icoon van zijn tijd, Nicolas Roeg als visionair die zijn tijd te ver vooruit was.

Bekijk na Bertolucci’s Last Tango in Paris (1972) Nicolas Roegs Bad Timing (1980) maar eens. In Last Tango in Paris degradeert een beschadigde oudere heer een meisje tot neukpop. Maar als hij zijn pantser laat vallen en zich blootgeeft, wordt dat direct afgestraft. Liefde is een slagveld, een machtsstrijd: een zwart romantische visie die paste in de sadomasochistische hausse van begin jaren zeventig.

Nicolas Roeg graaft dieper. Bad Timing is een briljant gemonteerde post mortem van de gedoemde relatie tussen twee Amerikaanse expats in Wenen: de wildebras Milena en de cerebrale psychoanalyticus Alex. Hij snakt naar controle en is zo wantrouwig, angstig en jaloers bezig grip op haar te krijgen dat ze hem ontglipt. Alex kan pas weer „ik hou van jou” fluisteren als hij Milena’s comateuze lichaam neukt na een desperate zelfmoordpoging. Ze is gereduceerd tot neukpop, tot object: een ellendig, confronterend beeld van mannelijke onmacht.

Last Tango in Paris werd in 1972 een monsterhit, Bad Timing kwam uit in 1980, toen de seksuele revolutie plaatsmaakte voor morele herbewapening. Slechte timing, en het hielp evenmin dat de distributeur zijn eigen film „a sick film made by sick people for sick people” noemde. Bad Timing flopte, maar oogt nu frisser en relevanter dan Last Tango. Fijn dat Roeg op zijn oude dag nog meemaakte dat zijn flops springlevend zijn terwijl talloze filmhits van toen zieltogen. Over een halve eeuw zit er vermoedelijk meer leven in Nicolas Roeg dan in Bernardo Bertolucci.

    • Coen van Zwol